De praktijk van Artikel 23

Image
Chris Vonk

Artikel 23 van de Grondwet wordt ook wel gezien als belemmerend voor onderwijsvernieuwing en als een artikel dat leidt tot segregatie en inefficiënt ruimtegebruik. Het dateert uit een tijd dat Nederland nog sterk verzuild was. Chris Vonk: “Die verzuilde samenleving bestaat nauwelijks meer, maar de gevolgen van dat artikel voelen we elke dag in de praktijk.”

 

Artikel 23 gaat over de vrijheid van onderwijs. Meer concreet staat er dat het “geven van onderwijs” vrij is, “behoudens het toezicht van de overheid” op wettelijke eisen rond kwaliteit en bekwaamheid. Ook regelt het artikel dat in elke gemeente voldoende openbaar basisonderwijs moet worden gegeven waarin “ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd".

Discrimineren mag niet

Discriminatie is, ook op scholen, op basis van Artikel 1 van de Grondwet verboden. Maar of dit in de praktijk goed gaat, was de afgelopen maanden onderwerp van discussie. VVD-Kamerlid Arend Kisteman diende in december 2025 een motie in die stelt dat Artikel 23 niet mag worden gebruikt om eventuele discriminatie te rechtvaardigen. De motie is met een kleine meerderheid aangenomen.

 

Chris Vonk, adviseur bij de Almeerse Scholen Groep, en de Almeerse Scholen Groep delen de kritiek op Artikel 23. Ze faciliteren het openbaar onderwijs en vinden het belangrijk dat onderwijs is losgekoppeld van levensbeschouwelijke overwegingen. “Wij respecteren de wet, maar zouden tegelijkertijd graag zien dat er een onafhankelijk onderwijsinhoudelijk statuut zou komen dat niet gekoppeld is aan religie.”

Ongelijke praktijk

Chris’ vrees is dat Artikel 23 scheefgroei veroorzaakt in het onderwijs. Concurrentie tussen onderwijsorganisaties is onvermijdelijk en vaak ook zelfs goed, zo stelt hij, maar dan moeten alle scholen wel gelijkwaardig zijn. Bijzonder onderwijs mag leerlingen weigeren, bijvoorbeeld op basis van levensovertuiging. Het openbaar onderwijs mag dat niet. Chris: “Dit zorgt ervoor dat speciale scholen sneller de krenten uit de pap kunnen halen. Wij zien in de praktijk in Almere dat sommige scholen zeggen dat ze iedereen aannemen, maar dan toch een wachtlijst hebben en tegen bepaalde leerlingen zeggen: ‘Ga het maar ergens anders proberen.’ Die leerlingen melden zich dan bij het openbaar onderwijs. Het speelveld voor het openbaar onderwijs wordt daardoor kleiner, maar de verantwoordelijkheid wordt groter. ‘Iedereen is gelijk, en iedereen is welkom’ is het leidende motto in het openbaar onderwijs. Dat is iets dat wij omarmen, maar in de praktijk is dat soms lastig uitvoerbaar. Je krijgt nogal eens wat rugzakjes binnen”, constateert Chris.

Worsteling rond locaties

Openbare scholen hebben ook te maken met praktische uitdagingen, zoals huisvesting en locatiekeuze, vervolgt Chris. “Een school binnen het bijzonder onderwijs kan gemakkelijker zeggen: ‘We zien op die locatie geen brood, dus we vertrekken.’ Scholen in het openbaar onderwijs kunnen dat niet zomaar doen.” Bovendien kan het ook voorkomen dat een nieuwe bijzondere school – mede door de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen – aanspraak kan maken op bestaande locaties van het openbaar onderwijs. “Wij worstelen nu bijvoorbeeld met een islamitisch schoolbestuur, dat toestemming heeft gekregen om een mavoschool te starten in Almere. Er was geen locatie beschikbaar, dus er wordt nu door de gemeente op aangestuurd dat wij een gedeelte van onze schoolgebouwen beschikbaar stellen. Ik vind dat niet passend als schoolbestuur van het openbaar onderwijs.”

Waarborgen kwaliteit

Ondanks de (subsidiërende) rol van de overheid in het funderend onderwijs, vreest Chris niet voor verlies van onafhankelijkheid als Artikel 23 wordt afgeschaft. “De staat heeft in algemene wetgevende zin invloed op het onderwijs, maar het is niet zo dat de staat dicteert wat er onderwezen moet worden. De overheid stelt kaders. In het onderwijs zijn allemaal losse stichtingen en verenigingen die hun eigen beleid maken.” Wel stelt Chris dat het waarborgen van kwaliteit door de overheid noodzakelijk blijft. “Het is goed als je een check krijgt op wat je doet.”

Artikel 23 nader beschouwd

Artikel 23 van de Grondwet gaat over onderwijsvrijheid. Het neveneffect is dat kinderen onderwijs krijgen in de eigen groep (bubbel). En afhankelijk van de bevolkingssamenstelling en de populariteit van een school moeten schoolgebouwen worden opgeschaald of afgeschaald. Dat zijn ongewenste gevolgen als je het beziet vanuit inclusie, leren samenleven, (sociale en fysieke) duurzaamheid en de doelmatigheid van het onderwijs. 

 

Reden voor het netwerk van Bouwstenen voor Sociaal dit artikel onder de loep te nemen. Wat staat er precies in? Wat is wet en wat is de praktijk? Wat weten we van de relatie tussen de wet en de (ongewenste neven-) effecten? Welke ruimte is er binnen de wet om het onderwijs anders te organiseren, passend bij de doelen van deze tijd? We bespreken het met Floris van Galen en Chantal Broekhuis in een online tafelgesprek op 26 maart om 11:00 's ochtends.

Meer informatie

Online bijeenkomst: Artikel 23 en meer

Artikel: "Speciale scholen halen de krenten uit de pap" (Schoolfacilities, februari 2026)