Harry Hendertink, CBS Het Hoge, Vorden: “We hebben de basisgedachte van een school losgelaten en het kind centraal geplaatst”

E-mailadres Afdrukken

“Dit is echt mijn school. Omdat we zelf het bouwheerschap op ons hebben genomen, hebben we gekregen waarvoor we in het PvE hebben getekend. Dat is wezenlijk anders dan dat je op een bepaald moment de sleutel aangereikt krijgt en gezegd wordt wanneer je er in mag.” Dit zei een gedecideerde directeur van CBS Het Hoge in Vorden, met een compliment naar het team van adviseurs bestaande uit Gerben van Heun, van Partners & Van Heun, Mattijs Loor van Factor Architecten en Jan Olthof van BAM Utiliteitsbouw. Schoolfacilities ging op zoek naar het effect van deze ketensamenwerking.

Directeur Harry Hendertink: “Wij hebben vanaf het begin het kind centraal gezet. Niet het gebouw en niet de financiën. Dat klinkt heel simpel, maar je hebt verschillende soorten kinderen, allemaal met een eigen onderwijsbehoefte. Wij hebben de basisgedachte van een school losgelaten en gekeken 'wat heeft een kind nodig?'. Hoe vindt een adhd-kind er zijn weg? Hoe is een kind met het syndroom van Down hier op zijn plek? Hoe kan een kind in een rolstoel zelfstandig door deze school bewegen zodat het het gevoel krijgt erbij te horen? Die zelfstandigheid heeft heel centraal gestaan, evenals de vraag wat je ze wilt bijbrengen. Dat is wezenlijk verschillend vergeleken met projecten van collega's die ik zie. Als jij deel bent van een multifunctioneel gebouw, waar drie scholen in zitten, heb je als individuele school misschien net de mogelijkheid om te kiezen welke kleur kozijnen er komen. Door onze overlegstructuur hebben we meer inspraak. We werken bijvoorbeeld niet met vaste plekken waar kinderen aan een tafel zitten, maar met werkplekken die ze uitkiezen afhankelijk van hun opdracht. Daardoor zijn ze gedurende de dag al veel meer in beweging.”

Creatief financieren

Harry Hendertink wilde niet alleen een basisschool neerzetten maar ook kijken naar de mogelijkheid om van 7 tot 7 uur kinderen op te vangen. Van de gemeente uit kregen zij daar geen middelen voor, dus het kwam op creativiteit aan. “Ons schoolbestuur had een aantal eigen woningen in bezit, die geld opbrachten. Met de verkoop hiervan werd het nieuwe gebouw mede gefinancierd. “Door een kinderdagverblijf en een bso-ruimte aan de nieuwbouw toe te voegen hebben we de mogelijkheid om in de toekomst een integraal kindcentrum te worden en kunnen we een bepaalde investering terugkrijgen door ruimtes te verhuren. Daardoor krijg je ook weer meer financiële armslag.”

V.l.n.r.: Harry Hendertink, Mattijs Loor, Gerben van Heun en Jan Olthof.

Er is ook gekeken naar subsidiemogelijkheden. “Als je dat op het goede moment doet krijg je een gebouw zoals dit en heb je net iets meer toegevoegde waarde dan wat je standaard kunt neerzetten uit overheidsbekostiging. Dat bedoel ik met creatief omgaan. Dan kijk je naar de gebruiksmogelijkheden, de pr, de uitstraling, hoe krijg je de kinderen binnen (in het kader van de krimp heeft die gedachte ook meegespeeld). Als we alleen een school hadden neergezet hadden we minder toegevoegde  waarde. Want dan zeggen ouders 'wat is het verschil tussen het ene gebouw en het andere?' Datzelfde hebben we gedaan met het terrein. Dat heeft een uitstraling die voor kinderen leuk is maar die ook ouders trekt. Daar hebben we heel bewust in het concept van de bouw geld voor gereserveerd.”

Ketensamenwerking

Op de vraag of zijn opdrachtgeverschap goed uit de verf is gekomen, antwoordde Harry Hendertink resoluut: “Zeker. We hebben zelf het bouwheerschap ter hand genomen. Als éénpitter hebben we het voordeel van een platte organisatie. Dus mensen die meebeslisten kregen we snel rond de tafel. We hebben ons laten bijstaan door Gerben van Heun als projectleider. Daar sloten Mattijs Loor en Jan Olthof zich bij aan. Met al deze mensen hebben we vanaf het begin om de tafel gezeten. Door deze korte communicatielijnen werd het mogelijk om de kosten in de hand te houden en aan onze wensen te voldoen. En hebben we gekregen wat we wilden.”

Dat Het Hoge vasthield aan hun onderwijsvisie was voor Gerben van Heun een belangrijk gegeven. “Dat geeft richting en houvast.” Mattijs Loor viel Gerben bij: “Toen wij er als architect bij betrokken werden was het al volledig helder wat ze met het gebouw wilden, niet alleen qua gebruik maar ook qua toekomstvisie. Dat was voor ons een heel goed startpunt. Daardoor konden wij iets bedenken waar Het Hoge tot in lengte van jaren goed mee uit de voeten kan.” Ook Jan Olthof kon als aannemer door deze duidelijke onderwijsvisie extra’s toevoegen. “Vroeger zette je een gebouw neer voor dertig jaar, maar tegenwoordig moet je rekening houden met aanpasbaarheid en flexibiliteit en zorgen dat je een dynamische omgeving creëert.”

Ketensamenwerking gaat volgens Harry Hendertink niet alleen om de mensen die het realiseren, maar ook over het contact met de wethouder. Als je met een goed verhaal komt en uit kunt leggen waarom je bepaalde keuzes maakt en hoe je dat wilt realiseren gaat de gemeente daarin mee. “In ons geval tenminste wel”.

Intelligentie van de co-makers

Het gebouw is zo ingericht dat de kinderen veel in beweging zijn. Ondanks diverse groepsactiviteiten hinderen zij elkaar niet.

Er ontspon zich een interessante discussie, waarop Gerben van Heun Jan Olthof als volgt onderbrak: “Leuk dat je dat zegt, maar de context is tamelijk weerbarstig. Want Het Hoge is niet de financier, dat is grotendeels de gemeente. Die moet zorgen voor adequate huisvesting en die schrijven over veertig jaar af.” Volgens Mattijs Loor strookt dat niet met hoe je het gebouw kunt exploiteren en onderhouden. Waarvan Jan Olthof vindt dat er naar de levenscyclus van het gebouw moet worden gekeken. “Als we heel vroeg bij een project betrokken worden, zoals hier, kunnen we behalve naar de kosten van de materialen ook kijken naar de exploitatie. Als je samen met de andere partijen de juiste keuzes maakt voor bijvoorbeeld schoonmaak en onderhoud kun je veel besparen in de exploitatie. Ook de positie van het gebouw ten opzichte van de zon heeft hier een rol gespeeld. Knip het proces niet (zoals vroeger) op in stukjes. Doe het samen, in overleg, met een gemeenschappelijk doel, dan krijg je het beste eindresultaat.”

De bouwheer heeft hier bepaald maar het gaat om de ketensamenwerking. Waarvan de intelligentie niet alleen bij de aannemer aanwezig is, maar bij alle co-makers die het gebouw maken. Het is volgens hem de kunst om die kennis te verzamelen waardoor het gebouw beter en efficiënter wordt en daardoor makkelijker binnen de budgettaire kaders realiseerbaar. “Dus het kan wel, maar dan moeten alle partners zich, net als hier, aan de afspraak houden.”

Meerjaren onderhoud

Dat BAM Het Hoge niet in onderhoud heeft, ligt volgens Gerben van Heun aan het feit dat de kosten daarvan budgetoverstijgend zijn. “Straks, in 2015, als het geld voor het buitenonderhoud rechtstreeks naar de scholen gaat, is dat een ander verhaal. Voor de aannemer ligt daar nog een missie. Ook een nieuwe auto moet weleens naar de garage voor een servicebeurt. Wij moeten dat vaker roepen. Hetzelfde geldt voor garantie. Je hebt bij een nieuw gebouw garantie op de dakbedekking, onder voorwaarde dat er jaarlijks een visuele check plaatsvindt van de afdichting. Dat geldt ook voor de installaties.” Als voorbeeld noemde Jan Olthof de verwarming. “Vroeger zette je die aan en dan werd het warm. Met de nieuwe klimaatconcepten moet je er rekening mee houden dat het meer tijd kosten om een gebouw goed in te regelen.” Volgens Gerben van Heun is hier met een meerjarenonderhoudsplan in voorzien. “Er zijn contracten afgesloten voor het onderhoud van de installaties, dakrandbeveiliging en de lift. Is het schoolbestuur geadviseerd om de installateur gedurende drie jaar de opdracht te geven – dan kunnen ze ook monitoren – en na die drie jaar verder te kijken. Want voor langere perioden vraagt dat een ander gedrag van zowel klanten als opdrachtnemers.”

Exploitatietekorten

Na de discussie over de financiering van de exploitatie, heeft men het al gauw over het aanvullen van de tekorten met geld vanuit de lumpsum-financiering, dat eigenlijk voor onderwijs bedoeld is. Volgens Mattijs Loor is het nog veel erger dan hier geschetst, als de exploitatietermijn van moderne gebouwen wordt opgerekt naar langer dan dertig jaar. “Moderne schoolgebouwen zijn de eerste dertig jaar voor het bedrag wat daarvoor staat nog wel te onderhouden. Maar daarna, dan praat je over bedragen ter hoogte van het volledige installatiepakket wat in het gebouw zit, eenderde van de bouwkosten. Daar moeten schoolbesturen terdege rekening mee gaan houden als ze gaan doordecentraliseren.”

Volgens Jan Olthof moeten schoolgebouwen elke tien jaar een upgrade hebben. “Ik denk dat de tijd geweest is dat we een schoolgebouw voor dertig jaar neerzetten. Alleen al om leerlingen te trekken zal het veel flexibeler moeten. Soms sta ik verbaasd dat docenten nog les willen geven in scholen met relatief veel achterstallig onderhoud. Dat deze scholen toch door ouders gewaardeerd worden heeft alles te maken het team dat daar werkt.”

Eigenlijk zouden vo en po scholen autonoom over die financiering moeten kunnen beslissen”, vindt Gerben van Heun. “Schoolbesturen zijn dan eerder bereid samen te werken. De bezuinigingen en de krimp geven alle aanleiding om partners te zoeken om elkaar te ondersteunen bij het beperken van de risico's. Het gezamenlijk opzetten van een meerjarenonderhoudsplanning is hiervan een goed voorbeeld.”

Een binding met de wijk

Mattijs Loor ziet steeds meer schoolbesturen met scholen van verschillende zuilen. “Voor de identiteit van de scholen werkt dat prima. Maar een school met een sterkere eigen identiteit heeft meer binding met de wijk en dat werkt positief. Ouders bieden dan sneller een helpende hand. Je moet natuurlijk niet het onderhoud van het gebouw ervan afhankelijk maken.”
Harry Hendertink ziet hierin geen probleem, mits je dat maar met beleid doet. Twee keer per jaar vraagt hij extra inzet van ouders om die dingen te doen die niet op het programma van het schoonmaakbedrijf staan. “Dat heeft ten eerste het voordeel dat de school extra wordt schoongemaakt, maar belangrijker vinden wij de betrokkenheid van ouders, ze ontmoeten elkaar en wij kunnen ze bedanken voor hun inzet. Ook dat is identiteit, betrokkenheid, er wordt over gesproken door de ouders, en zorgt voor een groeiend aantal leerlingen.”

Harry Hendertink tot slot: “Het Hoge heeft een echte wijkfunctie in Vorden. 's Avonds en in de weekenden vinden er allerlei extra activiteiten plaats. Overdag is er ruimte beschikbaar voor muziekles en wordt er steeds vaker dyslexiebegeleiding gegeven. Daar krijgen wij een vergoeding voor. Ontwikkelingen in de gezondheidszorg zorgen er ook voor dat scholen kansen krijgen. Want in zo'n gebouw als dit heb je de ruimte om bepaalde vormen van zorg aan te bieden, zoals dagbesteding. Qua bezettingsgraad kan dat makkelijk. In het geval van kindcentra kunnen wij bestaande ruimtes extra inzetten waarmee het Het Hoge de financiële toekomst optimistisch tegemoet kan zien.”

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

laatste uitgave