Michiel Wijnen, Matrix: "Door slim standaardiseren kun je binnen het budget mooie scholen bouwen"

E-mailadres Afdrukken

De Christelijke Scholengemeenschap Veenendaal en het ROC A12 bouwen samen een nieuw schoolgebouw. Dat is ontworpen volgens de principes van het Living Building Concept (LBC), een werkwijze waarbij uitgegaan wordt van een langdurig huisvestingsbeleid en waarbij investeringskeuzes worden uitgezet tegen toekomstige flexibiliteit en exploitatie. Het ontwikkel- en bouwproces vindt plaats onder verantwoording van Matrix Onderwijshuisvesting. Het levert een gebouw op wat snel ontwikkeld is, snel te bouwen is, weinig faalkosten kent en dus binnen budget blijft. CSV-directeur Dick Looyé: “We hebben een dialoog in de zin van ‘dit is het budget, kom met oplossingen die daarbinnen passen’. Die benadering van scholenbouw bevalt mij, want wij maken nu keuzes binnen het budget.”

Het Perron, zoals de nieuwe school heet, zal eind 2010 worden geopend. Dat is veel later dan in de oorspronkelijke planning stond. Die vertraging werd veroorzaakt doordat de aannemer vlak voor de start van de bouw failliet ging. Dick Looyé: “Daar hadden wij natuurlijk geen rekening mee gehouden. We hebben toen een marktconsultatie gedaan om een andere partij te vinden. Een van onze eisen was dat we de principes van het Living Building Concept overeind wilden houden, want de rol van regisseur die wij hadden in het proces beviel ons wel.”

Living Building Concept

De kern van het Living Building Concept is dat aan de markt wordt gevraagd op basis van een aantal gebruikerseisen een school te ontwerpen. De ideeën die Matrix Onderwijshuisvesting heeft over het bouwproces sluiten daarbij aan. Het bouwtraject wordt op een slimme en industriële manier doorlopen, waarbij vanaf het begin goed naar de kosten en de efficiëncy van het proces worden gekeken. Directeur Michiel Wijnen: “Het Living Building Concept zegt dat een schooldirectie in de showroom een gebouw moet kunnen kiezen, net zoals je een auto koopt. Maar een schoolgebouw is maatwerk, dus dat zie ik niet gebeuren. Onze stelling is dat het gebouw is opgebouwd uit allemaal gestandaardiseerde componentjes, die gemaakt zijn door gespecialiseerde toeleveranciers. Wij interpreteren het Living Building Concept dus als een ontwerpproces dat we ingaan met alle partijen uit de productiekolom met hun specifieke kennis. En we maken samen met de opdrachtgever afwegingen: wat kost het, wat zijn de exploitatiekosten.” Door gebruik te maken van gestandaardiseerde gebouwdelen wordt het per definitie gemakkelijker om het ontwerp in de toekomst aan te passen. Daarmee wordt dus voorkomen dat gebouwen na veertig jaar moeten worden gesloopt, omdat ze functioneel niet meer bruikbaar zijn.

Ander ontwerp

Op aangeven van Matrix Onderwijshuisvesting is afscheid genomen van het architectonische hoogstandje uit het eerste ontwerp. Het gebouw houdt wel de vorm van een driehoek, maar wordt minder transparant dan aanvankelijk de bedoeling was. Dick Looyé: “Dit wordt ook een mooi gebouw, maar op gebied van architectuur hebben we wel een stap terug moeten doen. Maar ik denk dat de gebruikers in dit gebouw veel gelukkiger zijn.” Het nieuwe ontwerp is volgens Michiel Wijnen flexibeler, praktischer en bovendien financieel haalbaar. “Dit ontwerp biedt veel meer mogelijkheden. Het bestaat uit deelvolumes, die door een gevel met elkaar worden verbonden. Ze kunnen dus ook als losse eenheden worden gebruikt.” Het gebouw zal worden gebruikt door ROC A12 en de CSV en het is de bedoeling dat beide scholen steeds verder naar elkaar toe zullen groeien. Mocht dat onverhoopt niet gebeuren, dan hoeft geen van beide scholen te verhuizen, maar kan het gebouw worden gesplitst. Het is zelfs mogelijk om bij onverhoopte krimp van het aantal leerlingen delen van het gebouw te verhuren als woning of kontoorruimte.

Gericht op exploitatie

Na acceptatie van het functioneel ontwerp en het budget heeft Matrix de rol van risicodragend bouwer en ontwikkelaar van het gebouw. Eventuele budgetoverschrijdingen zijn dus voor rekening van het bedrijf. Maar Michiel Wijnen is daar niet bang voor. In de ontwerpfase is goed gekeken naar de kosten en naar de effecten van investeringen op de exploitatie.

Michiel Wijnen (l) en Dick Looyé voor het in aanbouw zijnde gebouw.

Er is gekeken naar allerlei oplossingen: materiaalkeuze, zonnepanelen, installaties, etc. “De school stond daar wel voor open, maar in een aantal gevallen is besloten om niet al teveel risico te lopen. Dat betekent bijvoorbeeld dat we over tien jaar de vloerbedekking moeten vervangen. Dat is niet erg, zolang het maar een bewuste keuze is.”

Dick Looyé vindt het prettig te zien dat effecten van keuzes meteen terug te vinden zijn in de budgetten. “Wat me heel erg bevalt in de benadering van een bouwproject is dat we een dialoog hebben in de zin van ‘dit is het budget, kom met oplossingen die binnen het budget passen’. Wij kunnen dus kiezen om bepaalde dingen niet te doen, of minder mooi omdat we andere dingen belangrijker vinden. Wij hebben bijvoorbeeld extra geld uitgegeven aan de kwaliteit van het binnenklimaat.”

Integraal sturen

De manier waarop Het Perron wordt gebouwd staat haaks op een traditioneel bouwproces, waarbij de opdrachtgever samen met een adviseur een programma van eisen maakt. Vervolgens gaat de architect daar een gebouw bij ontwerpen, dat daarna door de aannemer wordt gerealiseerd. In dat proces is niemand eindverantwoordelijk voor het totale project en zal iedereen de grenzen opzoeken van de financiële mogelijkheden. Er is een aanzienlijke kans op fouten en budgetoverschrijdingen. Meestal draait de opdrachtgever daar voor op.

Michiel Wijnen neemt de gebouwstructuur als uitgangspunt. Pas als die klaar is wordt een architect ingeschakeld om er een mooie buitenkant omheen te ontwerpen. “Vergelijk het met hoe auto’s worden gemaakt. Het begint met de techniek en de ontwerper maakt er een mooi jasje omheen. Een beroemd voorbeeld is Volkswagen. Die ontwerpt de techniek en ook Skoda en Audi bouwen daar hun modellen omheen. En dat leidt echt niet tot eenheidsworst.”

Begin bij de bouwer

Schoolbestuurders bouwen gemiddeld 0,8 keer in hun carrière een nieuw schoolgebouw. Door hun onervarenheid op dat gebied laten ze zich gemakkelijk meeslepen door een ontwerp van een architect, weet Dick Looyé uit eigen ervaring. “Als je een architect de vrije hand geeft en hem iets moois laat ontwerpen ben je verkocht. Je gaat overal kijken om ideeën op te doen. En je gaat mee met die flow, want het is allemaal geweldig. Maar dan komt de aannemer in beeld en krijgt het ontwerp een prijskaartje. En dan kom je in de problemen.”

De belangrijkste tip die hij collega schoolbesturen wil meegeven is: blijf weg bij de klassieke bouwprocedure waarbij je eerst op zoek gaat naar een architect. Zoek inplaats daarvan eerst naar een ontwikkelaar/bouwer die bij het project betrokken is. Daarmee haal je het risico bij de school weg en houd je voldoende invloed in het ontwerp- en bouwproces. “Wat bij ons gebeurt is wat mij betreft Living Building in optima forma. Want we hebben gezocht naar de beste oplossingen die binnen het budget liggen.”

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

laatste uitgave