Wetenschapper Frans Rasenberg: “Vertrouw niet klakkeloos op deskundigheid van de installatiebranche”

E-mailadres Afdrukken

Na de oplevering van een nieuw of gerenoveerd schoolgebouw blijken de energiezuinigheid en het binnenmilieu vaak niet aan de verwachtingen te voldoen. Meestal is dat het gevolg van fouten. Regelmatig worden installaties verkeerd aangesloten of zijn afzuigkanalen weggelaten, een gevolg van hevige concurrentie tussen de installateurs. Wetenschapper Frans Rasenberg raadt scholen aan om zich zakelijker op te stellen en gebruik te maken van gespecialiseerde adviseurs. “Een ventilatieontwerp moet op maat worden gemaakt op basis van metingen. Een installateur heeft daar de kennis niet voor. Maar een onafhankelijk luchttechnisch bureau wel, en zij kunnen ook een bindend advies geven. Om eventuele problemen achteraf op te kunnen lossen moeten scholen een financiële 'borg' van 40% achterhouden.”

In een brief over 'Onderwijshuisvesting en Gemeentefonds', die minister Van Bijsterveldt half maart naar de Tweede Kamer stuurde, gaf zij aan op de hoogte te zijn dat 88% van de leslokalen bijna de helft van de tijd te maken heeft met een te hoge CO2-concentratie. Zij baseert zich op onderzoeken uit 2007 en het rapport 'Gezond en Goed – scholenbouw in topconditie' van de Rijksbouwmeester uit 2009. Mede op basis van dat rapport is in het kader van crisismaatregelen 165 miljoen euro subsidie geïnvesteerd in energiezuinigheid en duurzaamheid. Maar uit recentere onderzoeken blijkt dat het met het binnenklimaat nog steeds alarmerend slecht gesteld is.

Het blijft modderen

Uit onderzoek dat in 2011 door expertisebureau Scholenbouwmeester is uitgevoerd op initiatief van de provincies Groningen en Drenthe blijkt dat schoolgebouwen enorm veel energie verbruiken en dat het binnenklimaat door slechte ventilatie ronduit ongezond is. Volgens Hanneke van Brakel van dat bureau zijn het energieverbruik en het slechte binnenklimaat sterk met elkaar verbonden. “Eenderde van de scholen dateert uit de jaren 60 en 70, met veel enkel glas, stalen kozijnen en nauwelijks isolatie van de vloeren, muren en daken. 's Winters is er vrijwel geen ventilatie en 's zomers wordt het veel te heet. Daarbij komt dat van de oorspronkelijke natuurlijke ventilatie door onoordeelkundige verbouwingen vaak weinig is overgebleven.” Maar ook de nieuwere schoolgebouwen in deze provincies scoren slecht. Bij tien van de twintig scholen met een mechanische ventilatie (van 160 onderzochte scholen) blijkt die niet afdoende te werken. Het blijft dus modderen met de kwaliteit van schoolgebouwen.

Het onderzoek 'Luisteren naar schoolgebouwen' van architectenvereniging BNA uit 2011 heeft vergelijkbare uitkomsten. Het onderzoek had betrekking op tien scholen. Op geen van die scholen is men tevreden over de luchtkwaliteit en de temperatuur. Op vijf van de tien scholen had meer dan 75% van de docenten en leerlingen gezondheidsklachten als moeite met concentratie, hoofdpijn, irritatie van ogen of luchtwegen. Een andere opmerkelijke conclusie is dat de prestaties niet beter werden als er meer werd geïnvesteerd in technische installaties. Anders gezegd: een beter ontwerp hoeft niet duurder te zijn. Sterker nog, techniek kan soms zelfs problemen veroorzaken. Installaties kunnen het binnenklimaat verslechteren door verkeerde montage of vervuiling van de installatie. Dat was reden voor de onderzoekers om hun geloof in de techniek wat te temperen. Kennelijk zijn simpele en goedkope oplossingen voor het binnenmilieu soms het beste.

Goed installatieontwerp ontbreekt

Onder maatschappelijke, politieke en bestuurlijke druk hebben vele scholen de laatste jaren onder de vlag 'Frisse scholen' flink geïnvesteerd in kostbare klimaatsystemen. Dat heeft vooral geldverspilling en ellende opgeleverd, zegt Peter van Loon, bestuurder van de Stichting Scholen van Morgen. Vanuit zijn ervaring als schoolbestuurder adviseert hij schoolbesturen die het binnenklimaat willen verbeteren. “Niet al het geld was nutteloos, maar de situatie is buitengewoon ernstig. In Nederland bouwen we verkeerd. Wanneer leerlingen een klas binnenkomen, zitten zij binnen drie kwartier in sterk vervuilde lucht. Als het Bouwbesluit eist dat de CO2 onder de 1000 ppm moet liggen, is op basis van het aantal vierkante meters en het aantal kinderen de ventilatiecapaciteit uit te rekenen. Daarop wordt gedimensioneerd. Maar de installatie kan nog zoveel ventileren; als de verontreiniging het lokaal niet uit kan, helpt het allemaal niets. De lucht moet in beweging worden gebracht. Het ontbreekt aan een goed installatieontwerp, zelfs bij scholen die op dit moment worden gebouwd.”

Daarmee beweert Van Loon niet dat het fabrikanten van klimaatinstallaties uitsluitend te doen is om de verkoop van de systemen en dat het hen weinig interesseert of de geleverde systemen ook inderdaad presteren. “Gerenommeerde fabrikanten kennen de risico’s en zullen hun kennis aanwenden om te zorgen dat er een deugdelijk ontwerp op tafel komt. Maar in de praktijk gaat het vaak al veel eerder fout. Het schoolbestuur neemt, omdat men zelf de expertise niet in huis heeft, een adviseur in de arm. Die schrijft een bestek waarmee hij vervolgens naar een of meer installatiebedrijven gaat. Vervolgens wordt een installatie uitgezocht die het benodigd debiet kan leveren en daarmee denken ze het probleem te hebben opgelost. Niemand die het schoolbestuur, de installateur of de adviseur waarschuwt dat het zo niet werkt.”

Ventileren is wetenschap

Het gaat bij klimaatproblemen vooral om bouwkundige en bouwfysische aspecten. Van Loon wordt in die opvatting gesteund door Frans Rasenberg, wetenschapper binnenmilieu, die al sinds 2003 door diverse Nederlandse overheidinstanties wordt gevraagd mee te denken aan een oplossing. Rasenberg: “Ik heb tot op de dag van vandaag zo’n kleine tweehonderd scholen onderzocht; van nieuw tot oud en gerenoveerd. Er is er niet één goed. Daar zaten ook scholen bij waar voor 2,5 miljoen euro in is geïnvesteerd. In 90 procent van de gebruikstijd slaagden de scholen er volgens onze metingen niet in met ventileren onder de norm van 1.000 ppm te blijven, zelfs niet wanneer de installatie op topcapaciteit draaide.”

Rasenberg is van mening dat een ventilatiesysteem voor ieder schoolgebouw om maatwerk vraagt. Het is belangrijk om de luchtstromingen in het gebouw te meten en daar een ventilatieontwerp op maat voor te realiseren. Dat is specialistisch werk en bepalend voor het succes van de installatie. “De luchtbehandelinginstallatie die wordt gekozen is meestal wel voldoende qua capaciteit, maar in het klaslokaal zelf zijn onvoldoende voorzieningen, denk aan te kleine roosters of het ontbreken van afvoerkanalen. Daardoor ontstaat overdruk in het lokaal en kan de vervuilde lucht niet weg.”
De huidige installatiebranche heeft onvoldoende kennis van de materie om dat op een goede wijze te doen. Binnen de branche ligt de focus bovendien niet op kennisontwikkeling, maar op concurrentie en zo goedkoop mogelijk werken. Want scholen gunnen de opdracht doorgaans aan de goedkoopste aanbieder. De gebruiker van de school heeft pas na lange tijd in de gaten dat het systeem niet naar behoren werkt en weet niet wat er aan de hand is.

Onbetrouwbare metingen

Het kooldioxideniveau (CO2) in de lucht wordt gebruikt als graadmeter voor de kwaliteit van het binnenklimaat. Strikt genomen is dat niet juist, want er zijn veel vervuilende stoffen die niets met het CO2-niveau te maken hebben. Het gevolg is dat een heleboel vervuilende factoren buiten beschouwing blijven, zoals fijnstof dat van buiten komt of ontstaat in de gebouwen, bijvoorbeeld in ventilatiesystemen.

Metingen met een door Rasenberg ontwikkelde gasdetector bewijzen volgens hem dat kooldioxide geen betrouwbare graadmeter is voor de luchtkwaliteit. “Ik meet echt alles wat in de lucht zit, dus naast kooldioxide ook het zuurstofgehalte, de vluchtige organische stoffen, vocht, et cetera. Uit die metingen blijkt telkens weer dat, ondanks dat het CO2- niveau prima in orde is, de lucht sterk verontreinigd kan zijn. Je kunt dus wel nagaan dat er bij ventilatiesystemen, die werken op basis van CO2- niveau, toch nog problemen zijn met het binnenmilieu.”

De oplossing is volgens Peter van Loon balansventilatie met warmteterugwinning; zorgen dat de vuile lucht eruit gaat en de schone erin. Met een bouwkundig ontwerp dat goed in elkaar steekt en waarin de architect, adviseur, aannemer en installateur samenwerken in een projectgroep. Daarmee wordt bereikt dat rollen vastliggen en waar de verschillende verantwoordelijkheden liggen.

Prestatiecontracten

Daarnaast adviseert Van Loon de scholen om sluitende afspraken met de verantwoordelijke partijen te maken over de prestatie die de installaties moeten leveren. “Als de normwaarden niet worden gehaald, niet betalen,” zegt hij met grote stelligheid. “Het zal partijen dwingen om niet alleen fraaie installaties bij de school naar binnen te brengen maar naar het totale ontwerp te kijken. Als schooldirecteur ben ik dergelijke prestatieovereenkomsten onder meer aangegaan voor de Paperclip in Krimpen a/d IJssel en het werkt bijzonder effectief. De eerste leverancier moest de installatie verwijderen, later ben ik bij een andere partij terechtgekomen die het wel voor elkaar kreeg. Als partijen – en dat kan ook een samenwerking zijn tussen een installateur en een leverancier van een klimaatinstallatie – niet bereid zijn een prestatieovereenkomst aan te gaan, zakken ze wat mij betreft meteen al door het ijs.”

Onafhankelijk advies

Frans Rasenberg heeft een groep onafhankelijke deskundigen om zich heen verzameld die alle schoolbesturen al in de bestekfase klimaattechnisch kunnen begeleiden. “Wij zijn deskundig en kunnen bepalen hoe slecht het binnenmilieu is, maar vooral hoe het kan worden verholpen. Wij stellen een leidraad op waaraan alle partijen zich moeten conformeren. Schoolbesturen kunnen ons inschakelen om te controleren of het systeem werkelijk goed functioneert.” Hij nodigt scholen nadrukkelijk uit om dat te doen, zie: Doe de Binnenklimaatcheck!

Wat betreft de afrekening zijn Rasenberg en Van Loon het met elkaar eens: “De opdrachtgever zou de laatste termijn van 40% pas moeten betalen nadat bij de ingebruikname van de school duidelijk is dat alles ook functioneert zoals het moet. Hierbij kan een schoolbestuur ons als second opinion aanspreken. Bij defensie is die werkwijze heel gebruikelijk. Alle partijen die voor defensie werken, houden er rekening mee. Waarom dit beleid niet doorgetrokken naar gemeenten en schoolbesturen waar het de bouw van scholen betreft?”

Deel dit artikel op:

 

Reacties 

 
#1 Cindy Vissering 07-05-2012 14:47
Denk ook aan het laten uitvoeren van een ventilatieprest atiekeuring volgens de nieuwe beoordelingsric htlijn BRL 8010.
De BRL 8010 onderscheidt twee typen van beoordeling:
* Een opleveringsbeoo rdeling voor nieuwe ventilatievoorz ieningen, waarbij de gecertificeerde 'beoordelaar ventilatieprest atie' beoordeelt in hoeverre de opgeleverde ventilatievoorz iening voldoet aan Bouwbesluit nieuwbouw en eventueel aanvullende eisen (denk aan programma frisse scholen), zoals vastgelegd in contractstukken .
* Een prestatiebeoord eling voor bestaande ventilatievoorz ieningen, waarbij de gecertificeerde 'beoordelaar ventilatieprest atie' beoordeelt in hoeverre de prestaties van de ventilatievoorz iening voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit bestaande bouw en Bouwbesluit nieuwbouw en eventueel andere door de opdrachtgever aan te geven specifieke kwaliteitsnivea us.
Citeer
 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners