Charles van Wettum, rector Jan Tinbergen College: “Wij krijgen een prachtig schoolgebouw, op een toplocatie aan de snelweg, maar hoe nu verder?”

E-mailadres Afdrukken

De meeste schoolbesturen zullen zich waarschijnlijk even achter de oren krabben: een nieuw schoolgebouw vlak naast de snelweg. Toch is dat de plek waar het nieuwe pand van het Jan Tinbergen College in Roosendaal in januari 2012 zijn deuren opent, op amper 200 meter van de A58. Omdat de normen voor luchtkwaliteit niet worden overschreden en omdat er allerlei extra maatregelen zijn getroffen, had rector Charles van Wettum geen enkele grond om tegen de locatie te protesteren. “Wij hebben als school tegen de gemeente gezegd dat we een plek wilden die schoon, veilig en goed bereikbaar is. Dat hebben ze keurig geregeld en daar zijn we heel tevreden over.”

De gemeente Roosendaal heeft in 2002 een Integraal Huisvestingsplan opgesteld, de onderwijscarrousel, waarbij geïnventariseerd is welke scholen opnieuw gehuisvest moesten worden. Het Jan Tinbergen College, dat gedeeltelijk in een pand uit 1994 zat, moest als eerste verhuizen om plaats te maken voor een andere school. Vervolgens is er ruim vier jaren gediscussieerd over een nieuwe locatie. De voorkeurslocatie van de gemeente lag pal naast de snelweg die dwars door Roosendaal loopt, maar dat lag moeilijk in verband met het bestemmingsplan. Na tal van procedures rond fijnstof en geluidsoverlast tot aan de Raad van State toe, kwam het bestemmingsplan uiteindelijk in 2007 rond.

Vergrootglas op luchtkwaliteit

Het Jan Tinbergen College heeft zich in de gesprekken over de nieuwe locatie flexibel opgesteld. “Wij konden ons vinden in een locatie ten zuiden van de snelweg, omdat de meeste van de leerlingen aan die kant van Roosendaal wonen. Juist vanwege de mogelijke overlast van de snelweg zette de gemeente het traject heel zorgvuldig op.” De discussie over luchtkwaliteit werd extra aangewakkerd door een algemene maatregel van bestuur die tijdens de discussies over het bestemmingsplan werd afgekondigd. Daar stond in dat er geen school binnen 300 meter van de snelweg mocht worden gebouwd als er sprake was van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. Maar uit metingen van TNO en Kema bleek dat daar absoluut geen sprake van was. In Roosendaal was de algemene maatregel van bestuur dus niet van toepassing. “De school staat op een goede plek, het is gezond, luchtvervuiling is geen probleem, fijnstof is geen probleem en geluid is een oplosbaar probleem.”

Extra goede installaties

De gemeenteraad van Roosendaal heeft met B&W afgesproken dat er extra maatregelen zouden worden genomen in verband met de snelweg. Het gebouw heeft een dove gevel aan de kant van de weg en extra goede kwaliteit installaties. De installaties zijn ontworpen op basis van strenge normen voor het binnenklimaat van de GGD. “We hebben een ventilatiesysteem dat het luchtvolume van de school zeven keer per uur ververst. De ingezogen lucht wordt gefilterd en het energieverlies blijft beperkt door een warmtewisselaar. Alle ruimtes hebben sensoren voor aanwezigheid, luchtkwaliteit en -temperatuur waarmee de installaties en verlichting worden geregeld. Door al die maatregelen hebben we een heel duurzaam gebouw.”

Kleinschaligheid

Door de focus op de locatie is de aansluiting op het onderwijsconcept (geïnspireerd door Helen Parkhurst) gelukkig niet in het gedrang gekomen. De ruim 1.100 leerlingen worden verdeeld in vier groepen die elk een eigen afdeling in het gebouw hebben. Daar verblijven ze het grootste deel van hun schooldag. De afdelingen hebben hun eigen lockerruimte, leerplein, instructieruimtes, kantoren voor de teamleider en conrector, en een werkkamer voor het personeel dat bij dat team hoort. Gemeenschappelijke ruimten in het gebouw zijn de aula, presentatieruimtes met flexibele wanden, en de lesruimtes voor Science en voor Kunst & Cultuur, die elk hun eigen afdeling hebben gekregen.

De trots van het JTC is het leerplein voor het technasium. De speciaal ontworpen prakticumtafels, waarin stopcontacten en een aanrecht zijn geïntegreerd, zijn geschikt voor experimenten voor vakken als biologie, schei- en natuurkunde.
De vloerbedekking in de gangen zien er uit als een zebrapad, om aan te geven dat het verkeersruimtes zijn en geen hangplekken.

Organisatorisch gaat er na de verhuizing het één en ander veranderen. In het oude gebouw wordt veelal lesgegeven in vakgeoriënteerde lokalen, met een vaste docent in een lokaal en leerlingen die telkens naar een ander lokaal gaan. In het nieuwe pand zitten de leerlingen 70% van de tijd op hun eigen afdeling en komen docenten langs om les te geven. “Dat heeft als nadeel dat docenten het soms als onrustig ervaren om les te geven in een ruimte waar al leerlingen aanwezig zijn. Maar in het nieuwe gebouw kun je leerlingen wel veel beter aanspreken op hun verantwoordelijkheid om de ruimtes schoon en netjes te houden. Het is tenslotte hun thuis.”

Flexibel

Wat opvalt is dat de ruimtes bijzonder groot zijn. Een leerplein, bedoeld voor het inroosteren van maximaal drie klassen met hun docenten, heeft een oppervlak van 270 vierkante meter (even groot als vijf lokalen) met werkplekken en een grote centrale tafel om uitleg te geven aan groepen. In totaal zijn er ongeveer 110 leerlingwerkplekken. “Die ruime opzet is een didactische overweging. Op de leerpleinen wordt zelfstandig gewerkt. We roosteren daar drie klassen in, maar willen wel de ruimte bieden voor verschillende werkvormen. Als je maar 90 werkplekken bouwt heb je nog geen flexibiliteit.” Diezelfde flexibiliteit en ruimte zijn terug te vinden in de instructieruimtes. Docenten kunnen naar eigen inzicht in groepjes werken of in een busopstelling.

Partners

Hoewel het Jan Tinbergen College bouwheer was, is de gemeente intensief bij de bouw betrokken. Beslissingen die te maken hadden met het budget werden genomen door een stuurgroep, waar school en gemeente deel van uitmaken. In een onderliggende projectgroep waar school en gemeente ook beiden in zaten, werden deze beslissingen inhoudelijk voorbereid. Deze constructie heeft uitstekend gewerkt. Beide partijen hadden vertrouwen in elkaar, met als gevolg dat het gebouw binnen de planning en binnen het budget is gerealiseerd.

Delegerend bouwheer

Als bouwheer was het voor Charles van Wettum van het grootste belang dat er een goede organisatie rond de bouw werd opgetuigd. “Wij zijn een eenpitter zonder zware facilitaire dienst, we hebben dus geen kennis van bouwprojecten. Ik ben zelf geen bouwdeskundige en dat wil ik ook niet worden. Maar ik ben wel bouwheer, dus ik heb een organisatiestructuur om mij heen nodig met adviseurs waar ik op kan vertrouwen dat dingen goed gaan. De kennis is dus ingehuurd.” Het bouwmanagement werd gedaan door een bedrijf dat al bij het proces betrokken was in het kader van de gebiedontwikkeling. Daarnaast werd een externe directievoerder aangetrokken. De architect en de coördinerend aannemer maakten deel uit van het bouwteam. Het hoofd facilitaire dienst was bij het toezicht betrokken, een externe verhuismanager ondersteunde bij de verhuizing zelf. “Dat team heeft keurig samengewerkt, ondanks dat we tijdens de bouw wel wat tegenslag hebben gehad. De neuzen stond dezelfde kant op en samen hebben we het gecompliceerde traject met al zijn uitdagingen netjes aangestuurd. Ik ben een delegerend bouwheer: ik wil wel alles weten, maar ik hoef niet alles persoonlijk te beslissen.”

Doordecentralisatie

De leerpleinen hebben een oppervlak van 270 vierkante meter. Langs de wanden worden computerwerkplekken gerealiseerd. In het midden komen een grote centrale tafel voor uitleg aan groepen plus een aantal kleinere tafels waar groepjes leerlingen samen kunnen werken.

Na de verhuizing in de kerstvakantie 2011- 2012 komt er alweer een nieuwe ontwikkeling aan. De gemeente Roosendaal is van plan om de onderwijshuisvesting door te decentraliseren. Als eenpitter in een gebied met scholen uit een groter schoolbestuur kiest Charles van Wettum voor een terughoudende opstelling. “De wethouder heeft een oriënterend gesprek georganiseerd. Aangezien de gemeente doorgaans goed met dit soort dingen omgaat heb ik geen wantrouwen in dat proces. Maar de deskundigheid zoals die bij grote besturen als bijvoorbeeld OMO zit, heb ik natuurlijk niet in huis. Die moet ik inhuren.” Als het gaat om de invulling van doordecentralisatie zal de gemeente zich ongetwijfeld laten bijstaan door de VNG. Het Jan Tinbergen College zal deskundigheid zoeken bij VOS/ABB of een bureau als Van Aarle de Laat. Ook het proces zelf zal gebaat zijn bij deskundige begeleiding. “Op het moment dat je werkelijk om tafel gaat om te onderhandelen is het belangrijk om een procesmanager te hebben die voldoende kennis van zaken heeft en niet duidelijk verbonden is aan de belangen van één van de partijen.” Een risico bij de doordecentralisatie in Roosendaal is vooral de verwachte krimp van 15% in de komende 20 jaar. Een groot schoolbestuur kan een daling van het leerlingenaantal vermoedelijk wat gemakkelijker opvangen dan een eenpitter. “Maar krimp is een gemeenschappelijk probleem. Je ziet het ver van tevoren aankomen, dus je kunt plannen. Wij werken ook nu al op allerlei manieren samen met de andere scholen in Roosendaal, daar komen we samen met de gemeente wel uit.”

4e dinsdag in september

Charles van Wettum en de gemeente Roosendaal namen beiden deel aan de 4e dinsdag in september, een inspiratiemiddag voor scholen en gemeenten met best practices op het gebied van onderwijshuisvesting. Die middag was georganiseerd op initiatief van Van Aarle de Laat, adviesbureau op het gebied van maatschappelijk vastgoed. Voor Van Wettum hebben bijeenkomsten met best practises toegevoegde waarde. “Niet in concrete zin, maar goede voorbeelden helpen met name de agenda op te stellen van 'welke dingen moet ik meenemen in het proces, wat zijn de onderwerpen waar we in ieder geval over moeten praten'. Erover praten masseert de kennis. Vergelijk het met het feit dat ik bouwheer ben geworden. Ik had geen verstand van scholenbouw, maar we zijn tien projecten langs geweest, ik heb gepraat met collega-directeuren, ik heb gezien wat we wel zouden willen en wat niet. Je bent dan nog niet deskundig, maar je weet wel waar de bespreekpunten zitten.”

Foto's bij dit artikel zijn gemaakt door André Kivits, docent fotografie JTC.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners