School geen lerende organisatie

E-mailadres Afdrukken

Hoewel leren de core-business van het onderwijs is, zijn scholen over het algemeen geen lerende organisaties, is op te maken uit het rapport dat de Inspectie van het Onderwijs op 11 april 2018 heeft uitgebracht.

Het grootste deel van het rapport over “De Staat van het Onderwijs”, gaat over de onderwijskwaliteit. Die is in Nederland goed, maar de afgelopen jaren wel achteruit gegaan. Maar er staat ook veel in over de organisatie van het onderwijs.

Andere praktijk
In het Nederlandse onderwijs hebben leraren en schoolleiders theoretisch relatief veel autonomie, stelt de Inspectie. Zo’n systeem is gebaseerd op vertrouwen en professionals die hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Dat vraagt iets van de schoolorganisatie en daar gaat in de praktijk naar het oordeel van de Inspectie nog veel mis.

Kaders en leerstof
Scholen hebben te weinig ambitie, valt in het rapport te lezen. Ze zijn over het algemeen tevreden met de minimale eisen die aan het onderwijs worden gesteld en de sturing stopt daar ook vaak.  Docenten krijgen te weinig richting of kaders om hun vak goed in te vullen. Er is wel voldoende kwaliteitszorg, maar van de informatie die dat oplevert wordt te weinig geleerd en als dat al gebeurd wordt dat leren niet vertaalt naar concreet handelen. Slechts een klein deel van de scholen gebruikt de informatie als input voor een lerende organisatie.

Positieve ervaring
Scholen die ervaring hebben met teamgerichte verbeteringen zoals kennisnetwerken, werkplaatsen, onderzoeksteams en intervisie, zijn hierover positief en hebben meer plezier in hun werk, signaleert de Inspectie. Zo leuk kan leren dus zijn. Belangrijk is wel dat de schoolleiding zorgt voor voldoende faciliteiten, inbedding, aansturing en draagvlak binnen de school. Of er wel of niet ook door het personeel van de school mag worden geleerd is heel afhankelijk van de cultuur in de schoolorganisatie.

Frustratie
Er is volgens de Inspectie nog veel te doen op HRM-gebied wat betreft ontwikkeling en professionalisering, maar ook aan bijsturing. Autonomie is geen vrijbrief voor vrijblijvendheid. Naar het oordeel van de Inspectie wordt in het onderwijs te weinig onderscheid gemaakt tussen feiten en fictie (wensdenken). Goedbedoelde innovaties leiden daardoor tot frustratie en handelingsverlegenheid en een gevoel van “ik doe het ook nooit goed”.

Bredere scoop nodig
Om de onderwijskwaliteit te verbeteren is een bredere scoop nodig. Die is nu te smal, vindt de Inspectie. Onderwijskwaliteit, financiën, personeel en huisvesting worden onvoldoende met elkaar verbonden. Schoolleiders kijken in de continuïteitsparagraaf vooral naar aantallen leerlingen, studenten en personeel. Hoe deze zaken kunnen bijdragen aan onderwijskwaliteit is niet goed in beeld. Ook interne toezichthouders leggen die link onvoldoende.

Duiventil
Met al het tijdelijk en flexibel personeel lijkt de school een duiventil te worden. Daarbij verhoogt het de werkdruk van zittend personeel en beperkt het de financiële ruimte van de schoolbesturen. De werkdruk, ziekte en niet vervulde vacatures zorgen er voor dat er nauwelijks ruimte is voor kwaliteitsverbetering, aldus de Inspectie.

Positieve invloed
Als het om doelmatigheid gaat komt de gemeente goed naar voren in het Inspectierapport. Ze zijn een actieve partner in de samenwerking. Veel gemeenten zetten gericht financiële middelen in, maken beleidsafspraken met besturen, monitoren ontwikkelingen in de onderwijskwaliteit en vragen om verantwoording. De omvang van de initiatieven en de aanpak verschillen sterk per gemeenten, evenals het succes. De samenwerking tussen gemeenten en scholen gaat niet vanzelf. Soms verloopt die goed, maar vaak zijn gemeenten afhankelijk van de breidwilligheid van de besturen.

Te veel
Verder signaleert de inspectie een toenemend aantal lossen netwerken, steunpunten en andere facilitaire organisaties. Afzonderlijk doen ze goed werk, meldt de Inspectie, maar tegelijkertijd is sprake van versnippering. Er ontstaat een veelvoud aan sturings- en beleidsinitiatieven, maatregelen zijn soms strijdig en alle initiatieven tezamen beperken de professionele ruimte van leraren en schoolleiders en dragen ze bij aan de (regel) druk).

Kortom; Er valt nog wel wat te verbeteren in het onderwijs. Om het beroep weer aantrekkelijk te maken en de docent op hun professionaliteit te kunnen aanspreken is ook voor hen een veilige leeromgeving onontbeerlijk.    

Lees hier het inspectierapport; De staat van het onderwijs

 

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Mei uitgave

Partners