Promotieonderzoek Herman Kok: “Wat maakt een leeromgeving succesvol?”

E-mailadres Afdrukken

Onderwijsinstellingen in Nederland hebben het zwaar te verduren onder druk van de politiek. De discussie die wordt gevoerd gaat over strategische thema’s als de kwaliteit van het onderwijs, de instroom van leerlingen en studenten, de verhouding onderwijzend-niet onderwijzend personeel, het studierendement en over de ambitie die bepaalde onderwijsinstellingen hebben ten aanzien van groei, profilering, onderwijsaanbod en leermethoden. Onder toeziend oog van dezelfde politiek vindt een enorme schaalvergroting plaats van het onderwijs. Onderwijspaleizen verrijzen die fusiescholen een nieuwe identiteit en robuuste uitstraling zouden moeten geven. Goede huisvesting brengt goed onderwijs redeneren bestuurders. Dat is een prima keuze als onderwijsgebouwen en schaalgrootte een bijdrage leveren aan studierendement. Is dat ook zo?

Herman Kok doet promotieonderzoek1) aan de Wageningen Universiteit naar de invloed van de kwaliteit van deze leeromgeving en facilitaire diensten op studieprestaties. In de herfst van 2011 hebben 1752 docenten van achttien hogescholen via een online vragenlijst hun oordeel gegeven over de gepercipieerde kwaliteit van de facilitaire diensten verdeeld over veertig items van ruimtelijke en niet-ruimtelijke aspecten van de leeromgeving; collegeruimten, ICT voorzieningen, repro en print, schoonmaak, receptie, koffie en restauratieve voorzieningen, onderhoud en gebouw en omgeving.

Bevindingen

Er zijn verschillende effecten gevonden van de kwaliteit van faciliteiten op de onderwijsprestaties, die 3,5% van de variantie in studiesucces verklaren. Voor bepaalde facilitaire diensten is deze samenhang sterker dan voor anderen. Zo zijn er vier onderscheidende lagen van de leeromgeving geïdentificeerd, met overeenkomstige gebruikswaarden vanuit het perspectief van een docent.

Onderwijs gerelateerde diensten

De ICT-voorzieningen, de beschikbaarheid en indeling van collegeruimten en de onderwijscondities (verlichting, akoestiek en meubilair) zijn direct aan het onderwijsproces gerelateerd en beïnvloeden, zoals verwacht, het studiesucces positief. Zo heeft ICT invloed op de effectiviteit van de lessen en de indeling en inrichting van de collegeruimten staan in relatie tot het kunnen uitoefenen van taken (o.a. kennisoverdracht, discussiëren), persoonlijk welbehagen en sociale interactie. Hun kwaliteit moet in orde zijn om überhaupt docenten in staat te stellen hun primaire onderwijstaak naar behoren uit te voeren. Echter, ook een matige kwaliteit van de onderwijs gerelateerde diensten draagt bij aan het onderwijs. De literatuur verklaart dit doordat docenten de neiging hebben om slechte omstandigheden te compenseren en een inferieure omgeving te tolereren.

Comfort diensten

Diensten die zorgdragen voor persoonlijk comfort voor de onderwijsprofessional zoals de beschikbaarheid en bereikbaarheid van lokale printers, een goede kwaliteit van de front office (conciërge, receptie en meldingsafhandeling) en een goede kwaliteit van de schoonmaak (werkplek, sanitair en overige ruimten) hebben van het aanbod van facilitaire diensten relatief het meest positieve effect op studiesucces. Goede schoonmaakkwaliteit draagt verder bij aan de hygiëne, straalt netheid en professionaliteit uit en geeft een behaaglijk gevoel wat onder andere motiveert om te blijven. Ook zegt het iets over de discipline die er heerst op de hogeschool. De kwaliteit van de front office is verder indicatief voor de responsiviteit van de facilitaire organisatie bij tijdelijk ongemak van gebruikers (bijvoorbeeld bij technische mankementen). Dit is voor eindgebruikers een belangrijke eigenschap van een facilitaire organisatie.

Besloten ruimten

De beschikbaarheid van vaste en concentratiewerkplekken en vergaderruimten geeft docenten de mogelijkheid om zich te concentreren, maar ook om zich af te sluiten voor potentiële ontmoetingen met studenten. Dit heeft een relatief sterk negatief effect op studiesucces. Dit betekent mogelijk dat hoe meer privacy docenten kunnen en zullen genieten, hoe meer studenten een barrière kunnen ervaren indien ze behoefte hebben aan interactie met de docent, met een mogelijk negatief effect op studiesucces tot gevolg. Het geeft ook aan dat docenten gedurende hun aanwezigheid op de hogeschool bereikbaar en benaderbaar moeten zijn voor studenten om daarmee het leren te bevorderen.

Sociale ruimte

De kwaliteit van de ruimtelijke representatie (onderhoudscondities van het gebouw en het interieur, verzorgdheid van het buitenterrein en sfeer en uitstraling van het gebouw), de informele ruimten (indeling en inrichting voor samenwerken en kennis delen), de restauratieve voorzieningen en het binnenklimaat (van de collegeruimten en overige gebouwdelen en de regelmogelijkheden daarvan) vormen gezamenlijk de sociale ruimte van de leeromgeving. De sociale ruimte komt tegemoet aan de behoeften van allerlei gebruikers, zoals bezoekers, personeel, studenten en creëert een omgeving waarin docenten en studenten comfortabel en veilig samen kunnen komen. Echter, de kwaliteit ervan heeft geen statistisch significante samenhang met studiesucces. De sociale ruimte heeft mogelijk een relatie met de uitstraling en de aantrekkelijkheid van de hogeschool en kan daartoe worden ingezet voor marketingdoeleinden. Opmerkelijk is dat het binnenklimaat niet samenhangt met studiesucces. Daarvoor zijn wel aanwijzingen gevonden bij lagere scholen, maar dit onderzoek bij hogescholen wijst dat niet uit. In het basisonderwijs brengen leraar en leerlingen het grootste deel van de dag door in hetzelfde lokaal en ervaren daarbij de positieve of negatieve invloed van het heersende binnenklimaat. Gebouwgebruikers van hogescholen zijn ambulant en ervaren daardoor een grote verscheidenheid aan binnenklimaatkwaliteiten afhankelijk van waar ze zich ophouden.

Schaalgrootte-effecten

Uit het onderzoek blijkt verder een zeer sterk negatief effect van schaalgrootte op studiesucces, van -0,3% per toename van 1000 studenten (39,9% verklaarde variantie). Dit betekent dat schaalvergroting een ongunstig effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het presteren van docenten en studenten. Hierin speelt waarschijnlijk anonimiteit of een gebrek aan identiteit, een gebrekkige sociale controle, de toenemende afstand tussen onderwijsprofessional, student en onderwijsmanagement en een toename van allerlei verstorend gedrag een belangrijke rol. Ook blijkt het voor grote(re) hogescholen moeilijker om een betekenisvolle leeromgeving te creëren voor de diversiteit aan docenten en studenten.

Religieuze identiteit

De onderzochte Christelijke hogescholen presteren beter dan de niet-Christelijke hogescholen, met een gemiddeld 7,5% hoger studiesucces (7% verklaarde variantie). Dit ondersteunt de aanname die ook in de literatuur wordt gevonden dat er bepaalde aspecten zijn in de wijze waarop religieuze scholen worden gerund die de prestatiekloof tussen religieuze en nietreligieuze scholen verklaren.

Implicaties

In onderstaand figuur is het regressiemodel weergegeven van de relatie tussen de vier lagen van de onderwijsomgeving, de omvang van de hogeschool, de religieuze identiteit en studiesucces. De uitkomst stelt het bestuur en facility managers van hogescholen in staat om evidence-based beslissingen te nemen ten aanzien van het effectief gebruik van facilitaire diensten. Men zou zich ook kunnen afvragen: waarom al dit gedoe voor dat 3,5% effect? Het facilitaire budget van onderwijsinstellingen bestrijkt vaak 30 tot 40 procent van de totale uitgaven van de organisatie en is de tweede kostenpost na salarissen. Dan is het belangrijk dat facilitaire diensten ook presteren.

Daarentegen kan het teleurstellend zijn dat hun kwaliteit slechts voor 3,5% samenhangt met studiesucces. Dan kunnen onderwijsinstellingen deze schaarse middelen maar beter op een effectieve manier aanwenden. Zo lang onderwijsinstellingen gebouwen nodig hebben, is het de uitdaging om betere gebouwen te ontwerpen, die het fysiek, mentaal en sociaal welbehagen en productief gedrag ondersteunen van hun gebruikers. Bij gevolg, in het onderwijs, verbetert het de studieprestaties. De aanbeveling is een mind shift met betrekking tot het (her)ontwerp van schoolgebouwen die de architectuur overstijgt. Gebouwen moeten verleidelijk en stimulerend zijn, met als uitgangspunt kwaliteit van onderwijs en sociale interactie, in plaats van majestueuze paleizen voor imago en marketingdoelen. Gezien het grote negatieve effect van schaalgrootte op studiesucces, zou een primaire overweging in het ontwerp van leeromgevingen ook het creëren van (virtuele) kleinschaligheid in grootschaligheid moeten zijn. De uitdaging die facility managers te wachten staat is om het belang van gebruikers voorop te stellen en te leren om beter samen te werken met architecten en ontwerpers.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Herman Kok, Leerstoelgroep Bedrijfskunde - Facility Management, Wageningen Universiteit via Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

________

1) Herman wordt begeleid door Prof. Dr. S.W.F. (Onno) Omta, hoofd leerstoelgroep Bedrijfskunde Wageningen Universiteit en Dr. M.P. (Mark) Mobach, Associate professor Facility Management Wageningen Universiteit en lector Facility management Hanzehogeschool Groningen.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners