Rondetafelgesprek: "Resultaat aanwezigheidsregistratie vooral een organisatorische kwestie"

E-mailadres Afdrukken

Op steeds meer scholen worden geavanceerde beveiligings-, registratie- en betaalsystemen ingevoerd om het onderwijsproces beter te kunnen faciliteren. De implementatie van die systemen verloopt vaak moeizaam en de systemen blijken in de praktijk niet altijd naar volle tevredenheid te werken. Om samen te kijken naar de problemen en om manieren te zoeken om hierin verbetering te brengen namen vijf leveranciers van registratie- en betaaloplossingen deel aan een rondetafelgesprek. Gespreksleider Jan Broeken, directeur ICT IT-Workz/ROC West-Brabant, deed de aftrap met de vraag ‘hoe kunnen wij in onze decentrale organisatie zorgen voor een veilige leeromgeving?’.

Beveiliging

Scholen verschillen sterk in de mate waarin en de manier waarop ze zich beveiligen. De ene school heeft tourniquets in combinatie met bewaking en camera’s; in andere scholen is geen enkel teken van beveiliging te vinden. Volgens Jan Broeken wordt de mate van beveiliging kennelijk beïnvloed door de omgeving waarin de scholen zich bevinden, het beleid van de school en reacties op incidenten. Maar in hoeverre zijn de genomen maatregelen voldoende? Geven poortjes de garantie dat het veilig is in de school?
Volgens Franc van Veen zijn de te kiezen maatregelen afhankelijk van het probleem dat de school wil oplossen. Als je een drempel wilt opwerpen om vreemden buiten de deur te houden of om te voorkomen dat er spullen uit de school verdwijnen kan een tourniquet een goede oplossing zijn. “Maar als je denkt dat tourniquets criminaliteit buiten de deur houden is dat een vergissing.” Henk Klunder vindt dat het type onderwijs en de grootte van het instituut leidend zijn bij de vraag welke maatregelen genomen moeten worden. Hij praat bovendien liever over ‘veiligheid’ dan over ‘beveiliging’. “Hoe veilig voel je je en hoe veilig ben je? Pas als je die vraag hebt beantwoord kun je daar een vorm van beveiliging bij kiezen. Een tourniquet verzekert je niet van veiligheid. Dan moet er minstens een bewaker naast staan om te voorkomen dat er iemand overheen springt. Natuurlijk helpt het om vreemden buiten de deur te houden, maar dat kan ook door de schoolomgeving te laten bewaken.”

Visie is leidend bij keuze beveiliging

Veel scholen moeten niets hebben van poortjes of bewakers. Ze zijn bang dat dat ten koste gaat van de openheid van de school en dat ze juist agressie gaan oproepen. Voor beide visies is volgens Hans Ruck wel wat te zeggen. Als voorbeeld noemt hij de Haagse Hogeschool en ROC Mondriaan, die vlak bij elkaar liggen. “Bij de Haagse Hogeschool kun je zo naar binnen lopen, in het restaurant wat gaan eten en met de chipknip afrekenen. ROC Mondriaan kom je niet in. Daar staat een muur van tourniquetten in de hal plus een groep van acht bewakers. Dat heeft er ongetwijfeld ook mee te maken dat Mondriaan een eigen opleiding tot beveiliger heeft en graag leerlingbeveiligers bij de ingang zet. Bij De Rooi Pannen hebben ze weer een andere visie. Daar maken ze gebouwen die in grootte door één conciërge zijn te overzien. Op die manier wordt massaliteit voorkomen en als er meer leerlingen zijn bouwen ze een stukje verder een nieuw pand.”

De visie van de school is volgens Henk Klunder ook afhankelijk van het soort leerling. In het voortgezet onderwijs volgen kinderen rond van 12-18 jaar onderwijs, op het roc veel pubers tussen 16-23 jaar. De mensen op de hogescholen zijn de puberteit al ontgroeid. Dat vraagt een heel ander beleid. Franc van Veen is van mening dat niet de leeftijdsgroep, maar vooral de situatie op de school bepalend is voor het te voeren beleid. “Op Codarts hogeschool voor de kunsten in Rotterdam werken ze ook met poortjes. Niet alleen om vreemden buiten de deur te houden opdat er geen dure instrumenten worden ontvreemd, maar ook om te voorkomen dat studenten colleges zouden volgen zonder lesgeld te hebben betaald. Er studeren bij Codarts namelijk veel studenten die een korte opleiding volgen.”

Transparantie in oplossingen

Robbert van Eck denkt dat veel schoolbesturen geholpen worden als er een besturingsconcept wordt ontwikkeld waarin alle mogelijke invalshoeken voor veiligheid zijn uitgewerkt. “Als je dure dingen hebt staan moet je iets doen aan de fysieke toegang. Als je leerlingen hebt die weigeren te betalen voor dingen wil je die er zo snel mogelijk uitpikken. Als je in een buurt zit waar het niet pluis is moet je ook iets doen. In een besturingsconcept kun je het probleem vanuit al die invalshoeken benaderen en bepalen met welk systeem je het kan oplossen.”

Aanwezigheidsregistratie

Schoolbesturen die een toegangssysteem met schoolpasjes hebben geïntroduceerd willen die pas ook graag gebruiken om de aanwezigheid van de leerlingen te registreren. Daarmee kunnen ze op een eenvoudige manier aantonen dat een leerling voldoende lessen heeft gevolgd, ofwel In Instellingstijd Verzorgd Onderwijs (IIVO). Maar in de praktijk valt dat niet mee. Jan Broeken legt uit dat het geen probleem zou zijn als alle leerlingen elke dag van 8.30 uur tot 15.00 uur les zouden krijgen. Maar dat is niet zo. Er zijn leerlingen die in het kader van Eerder Verworven Competenties (EVC) vrijstelling krijgen voor lessen. Daarnaast is er ook veel projectonderwijs, wat in het gebouw maar ook buiten het gebouw kan plaatsvinden. “Het lijkt zo simpel: absentie en presentie bijhouden. Maar om het even welk systeem je gebruikt: als de docenten niet met hun lijstje komen krijg je het nooit kloppend.”

Stimuleren om te registreren

Om leerlingen en docenten ertoe te bewegen te registreren moet een schoolpas volgens Robbert van Eck een onmisbaar ding worden. Hij pleit voor een pas die veel functionaliteit biedt, liefst in combinatie met een persoonlijke sleutel. “Hoe meer functionaliteit aan de pas wordt gekoppeld, bijvoorbeeld fysieke toegang of het ingelogd zijn, des te groter wordt het belang van de pas voor de gebruikers. Dan krijg je op den duur een samenspel van spelregels die de school en de gebruikers gaan waarderen.” Henk Klunder vertelt dat Nedap daar al tien jaar mee bezig is, maar denkt dat het gaat om (het gebrek aan) verantwoordelijkheid voor het registreren. “Het maakt niet uit of je gebruik maakt van een briefjessysteem dat onder een wasknijper wordt geklemd bij de deur van het lokaal of een geavanceerd chipcardsysteem. Het gaat om het belang: het CvB wil dat de uren worden geregistreerd voor de financiering van het onderwijs. Dit belang moet eveneens tastbaar worden voor docent en leerling. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van methoden waar de verantwoordelijkheden voor het registreren bij docenten en leerlingen ligt.”

Hans Ruck is het met beiden eens. Hij ziet mogelijkheden voor veel functionaliteit en meer verantwoordelijkheden bij docenten en leerlingen. “In Engeland hebben ze een systeem waarbij leerlingen geld krijgen voor elke dag dat ze werkelijk op school zijn. Als ze inchecken en kunnen aantonen dat ze er zijn geweest hebben ze aan het eind van het jaar 100 pond verdiend.” Op die manier worden leerlingen gemotiveerd hun aanwezigheid te registreren. Docenten kunnen extra gestimuleerd worden door hen een bonus te geven als hun leerlingadministratie klopt. Jan Broeken vindt een financiële prikkel geen goede oplossing. “Dan ga je voorbij aan de veranwoordelijkheid die het onderwijs heeft voor de leerlingen. Ik denk bovendien dat je dat in Nederland nooit krijgt gefinancierd.”

Formeel en informeel leren

Het onderwijs is zich aan het ontwikkelen naar een minder georganiseerde vorm van leren. Inplaats van in een klas of groep onder begeleiding van een docent te leren wordt er steeds vaker individueel kennis vergaard. Het gaat dan om zowel het competentie gericht leren als het virtueel leren. Met name in hogescholen wordt het hele gebouw – ook het restaurant – door studenten gebruikt als leeromgeving. Voor dit zogeheten ‘informeel leren’ bestaan nog geen uitgewerkte registratiesystemen. Robbert van Eck vindt het verstandig als het onderwijs daarin het initiatief zou nemen. “De overheid wil toch dat het op een of andere manier wordt geregistreerd. Daar kun je op vooruitlopen. Als het leren virtueler wordt moet het registreren ook virtueler worden gemaakt.”

Jan Broeken vindt de problematiek met betrekking tot het organiseren van competentie gericht onderwijs een uitdaging. Het moderne onderwijs is zeker niet slechter dan vroeger, maar anders: gebaseerd op competenties en minder volgens lesuren georganiseerd. “En het ministerie doet niets anders dan ons te verplichten dat moderne onderwijs te vertalen in uurtjes. Hoe, dat maakt hen niet uit en daar geven ze ook geen richtlijnen voor, als we maar met cijfertjes komen.” Wat er wordt gemeten is kwantiteit en niet de kwaliteit. Henk Klunder verbaast zich erover dat scholen zich in zo’n positie laten manoeuvreren. “Het onderwijs zou zelf meer initiatief kunnen nemen en ons vertellen hoe zij vindt dat er geregistreerd moet worden. Dan kunnen wij dat wel bouwen. Ik vind dat scholen nu wel een erg afwachtende houding aannemen.”

Welk resultaat willen we eigenlijk?

Robbert van Eck stelt voor om eerst de containerbegrippen veiligheid en flexibiliteit te vertalen naar concrete vastomlijnde begrippen. Nu is er telkens veel discussie omdat iedereen met die begrippen iets anders bedoelt. Hij pleit voor het formuleren van een normenkader. Een normenkader voor de registratie van onderwijs bevat definities van de kwaliteit van het onderwijs. Robbert van Eck: “Als je als school constateert dat het onderwijs virtueler wordt moet je bedenken hoe je dat wilt vormgeven en het meetbaar en controleerbaar maakt. Dat is niet zo moeilijk. Je wilt weten hoelang iemand aan het leren is. Dan moet je weten waar hij fysiek gezeten heeft en hoelang hij op een bepaald deel van een website is geweest.” Dat is vrij eenvoudig technisch te registreren. Hoe deze technische gegevens vertaald worden in resultaten is een puur organisatorische kwestie, die op initiatief van het onderwijs moet worden aangepakt. “Alle betrokken partijen moeten samen de vragen ‘wanneer zijn we succesvol?’ en ‘wat zijn de KPI’s (Key Performance Indicator)?’ beantwoorden. Dan weet je wat je met elkaar bedoelt en heb je niet discussies zoals nu, dat het toch net niet helemaal sluitend is.”

Afrekenen

Een belangrijke en doorgaans zeer succesvolle toepassing van de schoolpas is betalen. Dat komt doordat een betaalsysteem doorgaans door alle gebruikers met enthousiasme wordt ontvangen. Hans Ruck: “Je kunt gemakkelijk en snel betalen, je hebt minder problemen bij diefstal want dan blokkeer je de kaart. Dat zijn pluspunten waardoor de invoering vrij eenvoudig verloopt.” Walter Goezinnen denkt dat het succes van het betalen ook komt doordat steeds meer cateraars afrekenen met de schoolpas omarmen. Hij vraagt zich wel af hoe het komt dat scholen zo weinig geïnteresseerd zijn in de managementinformatie over de verkochte producten. Jan Broeken: “Iedere school is wel bezig met dat gezondheidsverhaal, maar het zet niet echt door. In de kantine biedt de cateraar het wel aan, maar dat kost hem omzet.” Walter Goezinnen denkt dat dat wel meevalt, als die producten maar meer worden gestimuleerd: “Wij doen heel veel zaken met cateraars en wij zien wel een toename van gezonde producten. En die worden ook wel verkocht. Met een betaalsysteem kun je dat extra stimuleren. Bijvoorbeeld door er een spaarsysteem aan te koppelen, waarmee leerlingen muziek of andere zaken kunnen kopen.”

Fruitmand met concepten

Franc van Veen denkt dat dergelijke gezondheidsconcepten te beperkt zijn. Ze zullen door een veel groter aantal scholen worden omarmd in een combinatie met andere concepten. “Het lastige is dat veel scholen een gezond concept niet willen voeren op de manier zoals de cateraar dat aanbiedt. Als je die concepten breder maakt, bijvoorbeeld door ook alcoholproventie, drugspreventie en gezond bewegen in die programma’s te stoppen denk ik dat je een veel breder draagvlak creëert.”

Robbert van Eck ziet het succes van gezondheidsconcepten stijgen als het mogelijk wordt om te differentiëren in doelgroepen. Hij ziet dat als een fruitmand met verschillende concepten, waardoor iedere school zijn eigen accenten kan leggen. Om problemen met de uitwisselbaarheid te voorkomen moet er een standaard worden bedacht, zodat alle leveranciers met hun eigen concept tot die fruitmand kunnen toetreden.

Conclusies

  1. In het onderwijs moeten discussies worden gevoerd over doelstellingen met betrekking tot veiligheid en onderwijsregistratie. Die moeten leiden tot een transparant normenkader, waarin de doelstellingen worden vertaald naar concrete vastomlijnde begrippen. Met de uitkomsten van deze discussies kunnen marktpartijen aan de slag om doeltreffende systemen te ontwikkelen.
  2. Ongeacht het gebruikte systeem blijken de meeste onderwijsinstellingen problemen te hebben om op een adequate manier de aanwezigheid te registreren. De kern van het probleem is deels terug te voeren op de vraag: wie is er verantwoordelijk voor het registreren.
  3. Het is dé grote uitdaging voor de komende jaren om binnen het nieuwe leren de kwaliteit te meten in plaats van de kwantiteit.
  4. Het succes van systemen die gebruik maken van een schoolpas is groter als die schoolpas meer functionaliteit heeft. Vooral de betaalfunctie is een katalysator bij de introductie van een chipcard.
Deelnemers aan het rondetafelgesprek:
Jan Broeken (gespreksleider), directeur IT-Workz / ROC West-Brabant
Henk Klunder, Marktgroepleider Nedap Education
Walter Goezinnen, directeur Quarto
Hans Ruck, commercieel directeur Magna Carta Chipcard Solutions
Franc van Veen, directeur Inepro Cashless Solutions
Robbert van Eck, implementatiemanager ID-ware International

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

December uitgave

Partners