Doordecentralisatie van onderwijshuisvesting: “Let bij de keuze voor de samenwerkingsvorm op de juridische en fiscale aspecten”

E-mailadres Afdrukken

De zorgplicht met betrekking tot de onderwijshuisvesting ten aanzien van het Primair Onderwijs, Speciaal Onderwijs en Voortgezet Onderwijs is wettelijk verankerd en ligt bij de gemeente. De gemeente kan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting ‘doordecentraliseren’ aan de verschillende schoolbesturen in de gemeente. De keuze voor samenwerking bij doordecentralisatie kent echter verschillende elementen en samenwerkingsvormen. In dit artikel gaat Paul Geurten van PwC Belastingadviseurs kort in op de (mogelijke) juridische en fiscale aspecten van een aantal samenwerkingsvormen.


Bij doordecentralisatie nemen de verschillende schoolbesturen de taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de onderwijshuisvesting over van de gemeente. Daartoe kan het economische eigendom van de betreffende onderwijspanden worden overgedragen aan een door de schoolbesturen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon. De schoolbesturen zelf kunnen vervolgens het juridische eigendom overdragen zodat de gezamenlijk opgerichte rechtspersoon het volledige eigendom van de onderwijspanden bezit. De gemeente kan jaarlijks haar inkomsten in het kader van de zorgplicht doorbetalen aan het samenwerkingsverband, ten behoeve van onder meer investeringen.

Keuze van een rechtsvorm
De schoolbesturen kunnen uit diverse varianten kiezen om hun samenwerking vorm te geven. Deze variëren van samenwerking op basis van een of meer overeenkomsten tot samenwerking in de vorm van een separate rechtspersoon, zoals een stichting of een coöperatie. Als gekozen wordt voor een separate rechtspersoon, bijvoorbeeld om aansprakelijkheid voor de deelnemers te mitigeren, doemt de vraag op voor welke rechtsvorm het beste kan worden gekozen. Waarom zou voor een stichting of bijvoorbeeld een coöperatie moeten worden gekozen, of is de vorm van de B.V. wellicht toch een meer verstandige keuze?

Juridische en organisatorische aspecten
Bij de keuze voor een bepaalde rechtsvorm is belangrijk wat voor de deelnemers belangrijke ontwerpcriteria zijn. Denk daarbij aan: toegankelijkheid van het samenwerkingsverband voor nieuwe deelnemers, welke zeggenschapsrechten wensen de deelnemers, welke uitstraling dient de entiteit te hebben naar de samenleving. Al naar gelang de waardering van het belang van deze ontwerpcriteria kan tot een keuze voor de samenwerking worden gekomen. Zo zal de coöperatie met zijn ledenstructuur vanuit het perspectief van uitbreiding van deelnemers en inrichting van de governance goed kunnen scoren, maar de B.V. kan op deze aspecten ook goed scoren. De stichting kan vanuit het perspectief van een ‘not-for-profit’ uitstraling interessant zijn. Het gaat er steeds om dat bewust tot een keuze voor de samenwerking wordt gekomen, waarbij de wensen van de deelnemers leidend zijn. En als deze keuze is gemaakt, dient ook aandacht te worden besteed aan de inrichting van de rechtspersoon: inrichting van de governance (welke zeggenschapspositie hebben de deelnemers, wordt er een intern toezichthoudend orgaan ingesteld, etcetera), het al dan niet in dienst nemen van personeel, het regelen van de rechtsposities, etcetera.

Fiscale aspecten
De keuze voor een specifieke rechtsvorm heeft tal van fiscale aspecten. Denk bij de overdracht van panden bijvoorbeeld aan (voorkoming van) overdrachtsbelasting, btw en/of schenkbelasting. Denk bij de exploitatie aan bijvoorbeeld btw, loonheffingen en vennootschapsbelasting. Specifiek bij die laatstgenoemde heffing kunnen ongewenste financiële nadelen en dus ongewenste maatschappelijke effecten optreden.

In tegenstelling tot de stichting of gewone vereniging wordt een coöperatieve vereniging op dit moment namelijk, ongeacht haar activiteiten, volledig in de heffing van de vennootschapsbelasting betrokken, tenzij er een specifieke vrijstelling geldt. Het gevolg is dat 20% tot 25% vennootschapsbelasting moet worden betaald over de behaalde exploitatieresultaten. Hierbij kunnen de fiscale resultaten afwijken van de commerciële resultaten. De commerciële afschrijving op gebouwen kan bijvoorbeeld vanwege afschrijvingsbeperkingen fiscaal niet altijd worden gevolgd, waardoor de kans bestaat dat het fiscale resultaat, en dus de belastingheffing, hoger wordt. De heffing van de vennootschapsbelasting heeft ook een ongewenst maatschappelijk effect tot gevolg: de middelen kunnen hierdoor namelijk niet ingezet worden voor de realisatie van onderwijsdoeleinden en het verbeteren van de kwaliteit van de onderwijshuisvesting.

Conclusie
De keuze voor de samenwerking bij doordecentralisatie tussen schoolbesturen kent verschillende elementen. De basis daarvoor is onderling vertrouwen, dat vervolgens moet worden omgezet in een samenwerkingsvorm. Juridische en fiscale elementen dienen onderdeel te zijn bij de keuze voor deze samenwerkingsvorm. Wij adviseren om de juridische en fiscale gevolgen per samenwerkingsvorm in kaart te brengen zodat met het oog op de besluitvorming een goede afweging tussen de voor- en nadelen van de verschillende samenwerkingsvormen kan worden gemaakt.

Voor meer informatie over dit artikel kunt u contact opnemen met Paul Geurten via Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. of 088 - 7921513

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners