Max Hoefeijzers, directeur Building Breda: “Bij doordecentralisatie gaat het om méér dan alleen onderwijshuisvesting en financiën”

E-mailadres Afdrukken

Het is een gemeentelijke verantwoordelijkheid om over de kwaliteit van wonen voor hun burgers te waken. Daarbij spelen voorzieningen als onderwijs een prominente rol. Gemeenten dragen hun zorg voor onderwijshuisvesting geleidelijk over aan schoolbesturen. Binnen dit proces van doordecentralisatie worden de financiën, bedoeld voor onderwijsgebouwen en het beheer daarvan, aan hen over gedragen. Dat betekent dat gemeenten de randvoorwaarden binnen de wettelijke normen blijven bepalen, maar het is aan de schoolbesturen om het te regelen. Het is een door de politiek gedragen wens, om onderwijs af te stemmen op de wens vanuit de samenleving, om doelmatige keuzes te maken, waarbij ook naar de omgeving en de andere behoeftes dan onderwijs in de wijk of regio wordt gekeken.

Veel gemeenten en schoolbesturen houden zich bezig met de vraag of doordecentralisatie van onderwijshuisvesting voor hen een optie is. Maar hoe doe je dat, wat betekent dat en hoe groot zijn de risico's. Om van doordecentralisatie een succes te maken is het van belang om de verkenning daarover te laten verlopen langs maatschappelijke uitgangspunten. Hoe is de bevolkingssamenstelling? Wat is het verloop er van? Aan welke vorm van onderwijs is behoefte? Vanuit deze demografische kengetallen zal een strategische en op lange termijn inzichten gestoelde visie ontwikkeld moeten worden. Ook de onderlinge verhoudingen tussen schoolbesturen, de gewenste professionaliteit en het inperken van de risico’s voor zowel besturen als gemeente zijn aandachtspunten. Omdat geen enkele gemeente er hetzelfde uitziet, is doordecentralisatie altijd maatwerk, waarvan het Bredase model Building Breda er slechts één van is.

V.l.n.r.: Klaas van Harten, Jos Priem, Mark Canjels en Max Hoefeijzers, betrokken bij Building Breda, stellen onder de naam ‘De Kwartiermasters’ hun ervaring beschikbaar aan andere gemeenten en schoolbesturen.


Als doordecentralisatie louter en alléén wordt gezien als een oplossing voor de te krappe huisvestingsbudgetten, dan is dit een verkeerde start. Het gaat verder dan het maken van een integraal huisvestingsplan met een daarbij behorende financiële onderbouwing. Door samen te werken met andere maatschappelijke partners ontstaat er synergie, waardoor er meer mogelijk wordt met het beschikbare geld. Maar daar is ontkokerd denken, over de schoolbesturen heen, voor nodig. Het schoolbestand in Nederland is gemiddeld 20 procent te groot in relatie tot het aantal leerlingen. Door de concurrentie uit te bannen, kunnen we met het beschikbare geld beter toekomen, zeker als daar ook nog de maatschappelijke meerwaarde door samenwerking met sport, bibliotheek en allerlei andere voorzieningen bij optellen. Maar er is leiderschap voor nodig.

1. Doordecentralisatie is een middel en geen doel
Het is een middel gericht op hoogwaardig onderwijs aan 0 tot 18 jarigen, dus faciliterend aan het onderwijs. Hiervoor zullen zowel de gemeenten als de schoolbesturen zich moeten afvragen hoe tot visievorming te komen. Enkele van die onderzoeksvragen zijn: Is het mogelijk dat het onderwijs beter wordt als er wordt door gedecentraliseerd? Op welke visie op het onderwijs van de komende decennia is het huisvestingsbeleid gebaseerd? Huisvestingsbeleid onder verantwoordelijkheid van de gemeente is deels ook een stedelijke verantwoordelijkheid voor scholenplanning. Bij doordecentralisatie gaat deze verantwoordelijkheid mee naar schoolbesturen. Hoe gaan zij die verantwoordelijkheid vorm geven?

2. Toekomstbestendig plannen
Huisvesting is een lange termijn vraagstuk. Een schoolgebouw moet tenminste 40 jaar dienst doen. Om die reden is het van belang om de context over de langere termijn goed in beeld te hebben. Als sprake is van krimp van de populatie is het noodzakelijk om het huisvestingsvolume mee te laten dalen met het aantal leerlingen, zodat leegstand en kapitaalvernietiging kan worden voorkomen.

3. Concurrentie versus huisvestingsbehoefte
Onderlinge concurrentie heeft gevolgen voor de huisvestingsbehoefte van de afzonderlijke scholen. Sterke schommelingen daarin veroorzaken op de ene plaats investeringsbehoefte en op de andere plaats leegstand en financiële verliezen. Het is belangrijk dat schoolbesturen zich bewust zijn van deze risico’s en hoe ze deze zouden kunnen tackelen. Hoe behouden ze in de wijken een gelijke positie? Is een (gedeeltelijke) gezamenlijke aanpak daarvoor wenselijk? Wat is de invloed van Passend Onderwijs op de huisvestingsbehoefte?

4. Professioneel omgaan met sobere middelen
Huisvesting is een kapitaalsintensieve aangelegenheid. Wat zijn de basisbeginselen voor een haalbare business case (vestigingsplan) met een tijdshorizon van 40 (of 50) jaar? Kunnen de Schoolbesturen meer (betere kwaliteit, efficiënter en effectiever ) doen met het zelfde geld? Treasury beleid vraagt professionele afwegingen en lange termijnplanning. Bij doordecentralisatie ontstaat een ander afwegingsmodel dan onder de huidige huisvestingsverordening: “Is de investering noodzakelijk, kan het met minder en kunnen we het betalen?”  Momenteel zijn er landelijke ontwikkelingen: de vorming van een Nationaal Investeringsfonds en van een waarborgfonds. Welke financieringsmodellen zijn mogelijk?

5. Zorgplicht blijft bij de gemeente
De Wet maakt doordecentralisatie mogelijk. Echter de zorgplicht blijft bij de gemeente. Als een schoolbestuur in financiële problemen komt, kan het de huisvestings- verantwoordelijkheid ‘teruggeven’ aan de gemeente. Wat betekent deze optie voor de doordecentralisatie aan de andere schoolbesturen? Op welke wijze kan de gemeente toezicht houden op de juiste besteding van de huisvestingsmiddelen en op het voorkomen van ontsporingen?

6. Verschillen tussen VO en PO
De positie van het VO is anders dan die van het PO. Het VO heeft een regionale functie en geen relatie met kinderopvang en peuterspeelzalen. Het aantal scholen is overzichtelijk. De PO scholen (met uitzondering van de scholen voor Speciaal Onderwijs) hebben vooral een wijkfunctie en de tendens is dat ze qua huisvesting zijn opgenomen in integrale kindcentra eventueel aangevuld met andere wijkvoorzieningen. De huisvestingsvraagstukken van het VO wijken daarom af van die van het PO. Dat maakt het denkbaar om voor het VO een andere vorm van doordecentralisatie te kiezen.

7. Betrokken partners bij integrale huisvesting
In het kader van de huisvesting van het PO met Buitenschoolse Opvang, Kinder Opvang en Peuterspeelzalen, is het duidelijk dat er sprake is van integrale huisvesting. Daarom is het wenselijk dat deze  meedenkt in het proces van visievorming. Hoe kijken deze organisaties aan tegen huisvestingsinvesteringen en lange termijn huur contracten? Zijn zij gelijke of afhankelijke partners en wat betekent dat in het kader van een eventuele doordecentralisatie?
 

Meer weten over doordecentralisatie?
Meld u aan voor een van de interactieve bijeenkomsten

Bij de doordecentralisatie in Breda zijn genoemde zeven onderwerpen de afgelopen jaren al aan de orde geweest. Max Hoefeijzers, Klaas van Harten, Jos Priem en Mark Canjels, sinds 2008 betrokken bij Building Breda, stellen onder de naam ‘De Kwartiermasters’ hun ervaring beschikbaar aan andere gemeenten en schoolbesturen. Zij hebben in Breda het wiel uit moeten vinden.

De Kwartiermasters helpen u graag op weg om samen met u het proces uit te lijnen, de goede vragen te stellen om uiteindelijk een succesvol traject in te gaan. Hiervoor zullen een aantal bijeenkomsten verspreid over het land worden gegeven.

Deze interactieve bijeenkomsten zijn bedoeld voor gemeenten en schoolbesturen.

Bent u geïnteresseerd? Meld u aan bij:
Schoolfacilities, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , 0575-441888 of
Max Hoefeijzers, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , 06-53734116.


 

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners