Louk Heijnders, directeur SCS: "Het PO en VO beschikken over slechtste onderwijshuisvesting"

E-mailadres Afdrukken

Het Nederlandse basisonderwijs en het voortgezet onderwijs beschikken misschien wel over de slechtste huisvesting van Nederland. Tachtig procent van die scholen heeft bijvoorbeeld een dusdanig probleem met het binnenklimaat dat in het bedrijfsleven de OR al lang aan de bel had getrokken. Louk Heijnders, de eerste directeur van het Servicecentrum Scholenbouw (SCS), heeft verstand van gebouwen, heeft de verontrustende cijfers gezien en heeft de ambitie beslissers over nieuwe schoolgebouwen te helpen voor meer kwaliteit te kiezen. Gesprek met een gedreven vernieuwer over de kunst van het samenbrengen van de huidige en de toekomstige vraag.

Sinds vorig jaar ontwikkelt en verspreidt het Servicecentrum Scholenbouw (SCS) kennis over geïntegreerde aanbestedingstrajecten bij scholenbouw. Geïntegreerd wil zeggen dat ontwerp, bouw, onderhoud, delen van de exploitatie en soms ook de financiering niet afzonderlijk en na elkaar worden beschouwd maar als één geheel worden uitgevraagd in het proces dat leidt tot de huisvesting. Door via de integrale aanpak de onderwijskundige en andere mogelijke functies van het gebouw centraal te stellen, kan meerwaarde worden gecreëerd. Meerwaarde die afhankelijk van de situatie in de praktijk tastbaar wordt als gelijke kwaliteit tegen minder kosten, meer kwaliteit voor dezelfde kosten of meer kwaliteit gecombineerd met extra functionaliteit waar opbrengsten uit voortkomen. Kortom: slimmer met je geld om gaan.

Dat klinkt allemaal best ingewikkeld. Zo moeilijk kan het toch niet zijn om een school te bouwen?

‘Als dat zo was, zouden we nu niet met de huidige situatie zitten. Ik heb de rapporten gelezen en in de paar maanden die ik nu bezig ben veel gesprekken gevoerd met schoolbesturen. Op de basiskwaliteiten gezondheid en flexibiliteit scoren zowel primair als voortgezet onderwijs slecht tot heel slecht. Tachtig procent van de scholen heeft bijvoorbeeld een probleem met het binnenklimaat. Zodanig dat in een kantoorsituatie een werkgever het danig aan de stok zou krijgen met zijn werknemers. Zeventig procent van de scholen heeft een flexibiliteitsprobleem. Daardoor bepaalt het gebouw het onderwijsproces en niet andersom! Over energiegebruik en duurzaamheid hebben we het maar niet. De bouwveiligheid en arbeidsomstandigheden zijn op veel plaatsen ook twijfelachtig, ga daar maar van uit. Kortom, primair en voortgezet onderwijs beschikken over de slechtste huisvesting van Nederland.’

Verwondering

Heijnders, afgestudeerd bouwkundige van de TU Eindhoven, werkte de afgelopen 19 jaar bij de Rijksgebouwendienst in diverse managementfuncties. Hij heeft ervaring met gebouwen, kent de bestuurlijke wereld, het politiek veld en de vastgoedwereld zowel vanuit het toezicht, het beleid en de uitvoeringskant. De onderwijssector kende hij tot nu toe niet. Vandaar zijn verwondering. ‘Dat dit land voor 2,6 miljoen leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs en de 220.000 leraren die er werken, kiest voor dit matige niveau van huisvesting! In het bedrijfsleven heb je meteen problemen met de OR.’

Het is dus niet zo eenvoudig, een school bouwen?

‘Dat hebben we in Nederland inderdaad ingewikkeld gemaakt met elkaar. Daar zijn verschillende oorzaken voor. Om te beginnen heeft de publieke sector na de oorlog een enorme groei doorgemaakt. De keuze is gemaakt vooral te investeren in wegen en sociale woningbouw, zeker tot in de jaren zestig. Bij de bezuinigingen vanaf 1981 is ervoor gekozen niet op de leraren maar op de gebouwen te bezuinigen. Die situatie is nooit aangepast. Met als resultaat dat aan een gemiddeld kantoorgebouw nu anderhalf keer meer wordt besteed dan aan een school.’ ‘Vervolgens is in de jaren negentig veel verantwoordelijkheid en bijbehorend budget voor huisvesting van scholen overgeheveld van het rijk naar gemeenten. Prima, lokaal kun je immers veel beter bepalen wat nodig is dan op landelijk niveau. Maar dan moet je wel goed nadenken over de wijze waarop je omgaat met de nadelen van de gekozen oplossing. Zo is het al met al een enorm versnipperde sector geworden. Ga maar na: er zijn 441 gemeenten in ons land en zo’n 1300 schoolbesturen. Dat leidt tot gefragmenteerd opdrachtgeverschap als het gaat om nieuwbouw of verbouw van een school. Het schoolbestuur is bouwheer, maar de gemeente is net zo goed opdrachtgever. Bovendien hebben beiden met veel complexe regelgeving te maken die niet altijd eenduidig is. Tel daarbij op de telkens veranderende visies op onderwijs en de hogere eisen die dat aan een gebouw stelt. Die combinatie maakt de kans op matige kwaliteit erg groot.’

Geen ervaring

Daar moet volgens Heijnders ook bij worden bedacht dat een school bouwen voor schoolbestuurders geen dagelijkse activiteit is. Los van het feit dat er hoogstwaarschijnlijk onvoldoende tijd voor is, is ook de noodzakelijke ervaring logischerwijs onvoldoende aanwezig. Meestal stapt men in een geknipt proces waarbij architect, aannemer, adviseur of installateur uitsluitend streven naar optimalisatie van hun deel van de opdracht. Over onderlinge relaties tussen keuzes die in dat proces worden gemaakt, maakt niemand zich druk. Gezien de lage budgetten is het op de lange termijn dan maar helemaal de vraag of het opgeleverde product kan voldoen aan de gestelde eisen. Keuzes die in het begin voordelig lijken, leiden meer dan eens op de lange termijn tot flinke kostenposten.

Wat Heijnders betreft stellen slimme schoolbesturen en gemeenten zichzelf van tevoren een aantal vragen die de basis vormen op weg naar een heldere opdracht. Wie is opdrachtgever? Hoe lopen de geldstromen? Wat zijn de wensen en eisen voor het nieuwe gebouw? Hoe kun je de exploitatie het best organiseren? Wie draagt welke risico’s? En, gezien het primair proces van een schoolbestuur, welke rol zien zij voor zichzelf?

Heijnders: ‘Pas als je hier goede antwoorden op hebt, kun je een proces inrichten. Mijn ervaring is dat hoe complexer het wordt, des te minder diep je er in moet willen zitten. Voor een schoolbestuur leidt de realisatie en exploitatie van nieuwbouwprojecten veelal enorm af van hun primaire taak. Mijn stelregels is dat je niet iets of iemand anders moet willen zijn of worden dan wie je bent of waar je verstand van hebt.’

Dus kloppen schoenmakers die zich bij hun leest willen houden vooral aan bij het Servicecentrum Scholenbouw als er nieuwbouwplannen zijn?

‘Dat zou ik toejuichen. Vergis je overigens niet, wij gaan die nieuwe scholen niet bouwen. Wij zijn geen marktpartij maar een door het Rijk gefinancierde stichting die opdrachtgevers ondersteunt bij hun keuze voor de meest toepasselijke en efficiënte aanbestedingsvorm. Wij helpen graag bij het scherp krijgen van de vraag, bij het maken van de juiste afwegingen en bij de keuze voor de meest geschikte vorm van aanbesteden en exploiteren. Maar wij doen niet aan projectmanagement, daar zijn voldoende marktpartijen voor.’

‘Onze adviezen zijn gebaseerd op alle ervaringen die in de onderwijssector zijn en worden opgebouwd. Zo hebben we kenniskringen in het leven geroepen waar ervaringen worden uitgewisseld. Wij zorgen voor kennisproducten waar opdrachtgevers voorafgaand en tijdens het project baat bij hebben. Denk aan standaarden voor contracten en eisenpakketten, aan best practices. Dan hoeft niet iedereen telkens het wiel opnieuw uit te vinden. Om tot die kennisproducten te komen, zijn wij betrokken bij pilotprojecten. Daarbij werken wij samen met de markt, met schoolbesturen en met gemeenten. De kennis die wij opdoen, delen wij dan ook met deze partijen. Met als doel, de huisvesting van scholen steeds beter te laten voldoen aan de behoefte in de maatschappij.’

Waaruit bestaat die behoefte?

‘Kort door de bocht: meer variëteit en meer functionaliteit. Het onderwijs staat als altijd in het centrum van de maatschappij en de problematiek. Het is een complexe wereld met veel partijen. De sector is erg in beweging door de veranderende positie van schoolbesturen; kijk naar de huidige ontwikkeling van bovenschools management. Daarnaast zet het fenomeen brede school een ontwikkeling in de richting van maatschappelijk vastgoed in gang. Schoolgebouwen moeten in de wijk waar ze staan naast een onderwijsfunctie ook sociale functies gaan vervullen.’

‘Dan is er ook de integratie van het Vmbo en het Mbo die aan de gang is en zie je een andere dominante trend zich ontwikkelen. Namelijk het integreren van jeugdzorg in de schoolfunctie. Dat gebeurt nu veel te separaat. En vlak de keuzevrijheid van ouders niet uit. Scholen gaan steeds meer concurreren met elkaar.’

Meer dynamiek

Er is dus veel dynamiek in het onderwijs en wisselwerking met andere sectoren. Wat Heijnders betreft staat de ontwikkeling aan het begin en beslist niet aan het einde. Het is moeilijk voorspelbaar hoe onderwijshuisvesting er over tien jaar uitziet. Vooral omdat het voorheen van bovenaf werd opgelegd en nu maatschappelijk wordt gedreven. Dat betekent dat variëteiten toenemen, dat het aanbod diverser wordt en er nog meer dynamiek komt. Daardoor staat voor Heijnders één ding als een paal boven water: die ontwikkeling leidt tot complexere gebouwen die veel meer verschillende functies moeten kunnen vervullen.

Dat betekent nogal wat voor gemeenten en schoolbesturen.

‘Ik merk in de gesprekken dat het besef groeit dat het probleem er is en dat het een systeemprobleem is. Dat besef helpt, maar maakt het er niet eenvoudiger op. Het vraagstuk kent vele dimensies. Wil je bijvoorbeeld nu een gebouw neerzetten dan weet je dat het een hele functionele carrière voor zich heeft. Kies je ervoor het alleen een schoolfunctie te geven dan is de kans groot dat snel blijkt dat je het verkeerde gebouw op de verkeerde plek hebt gerealiseerd. Kies je voor meer flexibiliteit om dat te voorkomen dan moet het gebouw meer functies aankunnen.’

‘Gemeenten en schoolbesturen moeten daar in de voorfase van huisvestingsprojecten meer en scherper over nadenken, bijvoorbeeld een muziekschool of naschoolse opvang die gebruik maken van hetzelfde gebouw. Wat functionaliteit betreft kan het alle kanten op. Maar ik raad de beslissers sterk aan zich serieus de vraag te stellen of tien jaar ruimte huren voor de onderwijsfunctie niet voordeliger is? Is volledig eigenaar zijn van een gebouw wel slim of wenselijk? Waar wil je echt invloed op hebben en hoe kun je dat het best regelen? Zeker als aan een gebouw zoveel eisen worden gesteld dat het maatschappelijk vastgoed wordt. Hoe exploiteer je vastgoed? In mijn ogen is dat een duidelijke marktactiviteit en niet primair een publieke taak. Schoolbesturen en gemeenten zijn opdrachtgevers die zich verder zullen moeten professionaliseren. Misschien door op lokaal niveau duurzame samenwerkingsrelaties aan te gaan. Daarbij zie je in veel gevallen dat huisvesting gekoppeld is aan emoties. Houd die emoties erbuiten. Eigenaar zijn, is echt niet altijd beter. Probeer dat scherp te krijgen.’

Wat staat opdrachtgevers nu te doen?

‘Waar het op aankomt, is het samenbrengen van de huidige en de toekomstige vraag. Dat is per definitie complex. Dus reageren betrokkenen daar trager op. De uitdaging is volgens mij samenwerking. Je moet de verbinding organiseren. Integraal aanbesteden is erop gericht die verbinding te ondersteunen. Zowel de verbinding tussen de schakels ontwerp, bouw en beheer als tussen opdrachtgevers en de markt. Wij willen als SCS de kennismakelaar voor de hele sector zijn. Alle aanwezige kennis en ervaring op het gebied van onderwijshuisvesting en geïntegreerde aanbesteding vertalen wij in heldere praktijkgerichte producten voor beleidsmakers, de onderwijssector en de markt. Daarbij richten wij ons niet alleen op de onderwijssector maar houden wij de ontwikkelingen in de hele vastgoedsector nauwlettend in het oog.’

‘Neem als voorbeeld het streven van de overheid dat na 2020 alle nieuw op te leveren gebouwen klimaatneutraal zijn. Dat stelt hele andere eisen aan een gebouw, daar wordt het technisch veel complexer van. Met als gevolg dat architecten, installateurs en aannemers met elkaar aan tafel moeten. Integraal ontwerpen is dan de enige manier om nog tot kwaliteit te komen. Organiseer je die regie niet en laat je het over aan de almaar groeiende en daardoor versnipperende disciplines in de bouw dan neemt de kans op slechte oplossingen navenant toe. De bouwsector zelf zal niet snel tot schaalvergroting komen, opdrachtgevers moeten dat organiseren, dat is mijn overtuiging.’

Op welke manier hebben opdrachtgevers daar invloed op?

‘Zij moeten de vraag anders stellen en ook selecteren op kwaliteit in plaats van alleen op prijs. Het begint met marktpartijen eerder in het proces betrekken en oplossingen laten aanbieden voor je probleem. Besteed niet zomaar een bestek aan, maar breng je risico’s terug door ze neer te leggen bij de partij die er het meeste invloed op heeft.’

‘Uitvoeringskwaliteit wordt nu niet beloond dus is er geen aannemer die daarop let. Waar we naartoe moeten, zijn aanbestedingen waarin integraliteit wordt beloond. Waarin partijen samenwerken en bijvoorbeeld hun productkeuze afstemmen. Zodat later onderhoud tegen minder kosten kan plaatsvinden. Langs die weg kunnen concepten ontstaan die voor scholenbouw van blijvende betekenis zijn. Laat bijvoorbeeld de installateur van de cv-ketel meedelen in de opbrengst als hij het voor elkaar krijgt een bepaalde reductie in het energieverbruik voor elkaar te krijgen. Dergelijke stimulansen inbouwen in je aanbesteding leidt tot nieuwe en effectieve impulsen. Alleen als je kwaliteit beloont, krijg je kwaliteit.’

Nee, beaamt Heijnders, het wordt er niet eenvoudiger op. ‘Wel interessanter. De oplossingen van vroeger zijn niet de oplossingen van de toekomst. Die ontwikkelen we nu, met elkaar. Ik zie een heleboel kansen voor de sector die wij de komende jaren kunnen benutten.’

Kijk voor meer informatie over integraal aanbesteden op www.scsb.nl

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

December uitgave

Partners