Strategisch omgaan met onderwijshuisvesting na 2015

E-mailadres Afdrukken

De wetgeving met betrekking tot onderwijshuisvesting verandert per 1 jan 2015. Vanaf dat moment ontvangen de schoolbesturen in het PO middelen voor het totale onderhoud en de aanpassing van de scholen. Wat dat in de praktijk gaat betekenen voor scholen is het afgelopen jaar breed in de aandacht geweest. Maar wat betekent deze wetswijziging op strategisch vlak nu voor besturen? In dit artikel wil ik daar kort op ingaan.


Professionalisering nodig
Onderwijshuisvesting is niet iets wat je er als bestuur even bij doet of zomaar aan een externe partij kan overlaten. De verantwoordelijkheid neemt toe, het bedrag dat met huisvesting te maken heeft is na de personele kosten de grootste post op de begroting van de besturen. Reden genoeg om als bestuur op dit punt goed te weten waar het over gaat.
Daar komt bij dat verkeerde keuzes op dit gebied kunnen leiden tot jarenlange verplichtingen waar je achteraf veel spijt van kan hebben. Dus moet je als bestuur ‘ weten waar het over gaat’.
Besturen moeten op het punt van onderwijshuisvesting goede beleidsbeslissingen kunnen nemen. Dat betekent niet dat besturen alles moeten weten en kunnen, maar wel dat besturen inzicht moeten hebben in die zaken waar ze minimaal over moeten besluiten. En besturen moeten de consequenties van keuzes kunnen overzien. Daarna kan een bestuur bepalen of het in de uitvoering van beleid ondersteund wordt door een of meer adviespartijen. Dat kunnen adviesbureaus zijn die prima ondersteunende diensten kunnen verrichten.

Concrete stappen voor besturen:
Uiteraard vraagt de wetswijziging van schoolbesturen dat deze voor zichzelf goed ik kaart brengen wat de financiële gevolgen zijn:

  • De vergoeding komt via de lumpsum en wordt uitgekeerd per leerling.Voor 2015 en 2016 zal dat neerkomen op om en nabij de €75,- per leerling, daarna €100,-  per leerling (dit betreft alleen buitenonderhoud en aanpassing).
  • Nagaan of scholen in aanmerking komen voor de overgangsregeling. De precieze regeling verschijnt rond 1 jan 2015.
  • Zorgen voor een aangepast Meerjaren Onderhoudsplan. Besturen zijn hier vanaf 2015 nu zelf verantwoordelijk voor.


Er kunnen ook specifieke situaties zijn:

  • Bijvoorbeeld als er sprake is van historische gebouwen. Ook dan moet er met de gemeente afgestemd worden. In de wet wordt er in elk geval geen rekening mee gehouden.
  • Gymzalen blijven van de gemeente en dus ook de verantwoordelijkheid voor het onderhoud. Wanneer hier met besturen afspraken over zijn gemaakt, moeten die in het kader van de overheveling herzien worden.
  • Hetzelfde geldt voor scholen die in multifunctionele accommodaties (MFA’s) zitten en een afdracht betalen voor beheer en exploitatie. Op het punt van onderhoud moet dit herzien worden.


Daarnaast spelen een aantal andere vragen op de achtergrond mee, die juist de basis vormen van ‘strategisch omgaan’ met onderwijshuisvesting. Het gaat dan om vragen als: wat is er verder geregeld met betrekking tot ‘nulmeting’, investeringsverbod, achterstallig onderhoud, lopende aanvragen etc..

‘Renovatie’ is niet bij wet geregeld.
Wanneer een school recht heeft op nieuwbouw ook niet. Kwaliteitsverbetering en verduurzaming van gebouwen vallen voor bestaande gebouwen voortaan ook onder het begrip ‘aanpassing’ van het gebouw. De duidelijkheid tussen gemeenten en schoolbesturen over wie waarvoor nu vanaf 2015 verantwoordelijk is blijft op belangrijke cruciale punten afhankelijk van wat gemeenten en schoolbesturen hier zelf van vinden en dus zal de discussie over wie nu waar precies verantwoordelijk voor is  in alle hevigheid losbarsten.
Het kan er gemakkelijk toe leiden dat besturen en gemeenten hierin tegenover elkaar komen te staan en niet verder komen dan een soort verlammende loopgravenoorlog. Vastbijten in beton gegoten meningen en stellingen brengt niemand verder en komt de huisvesting van scholen beslist niet ten goede.

Overleg met gemeente en andere schoolbesturen: naar een strategisch huisvestingsplan.
Juist omdat besturen meer eigen verantwoordelijkheid krijgen, en dus het financiële risico toeneemt, is het zaak vroegtijdig te weten wat er met een specifiek gebouw gaat gebeuren. Dat kun je alleen maar goed doen als je de kennis en de informatie die je hebt over je gebouwen deelt met andere schoolbesturen en de gemeente.
Samen ben je namelijk in staat om een toekomstbestendig huisvestingsprogramma neer te zetten waarbij elementen als ‘dekking’, multifunctionaliteit, medegebruik, flexibiliteit uitgangspunten zouden moeten zijn en waarbij je desgewenst rekening houdt met denominaties en/of onderwijskundige uitgangspunten. Dat betekent wel dat besturen uit de concurrentiemodus moeten willen stappen. Dit bereik je namelijk alleen door samenwerking en niet door elkaar de loef af te willen steken.

Voor besturen valt er op deze manier veel te winnen, want gebundelde kracht is dubbele kracht. Ook gemeenten moeten de stap willen zetten en onderwijshuisvesting in een breder perspectief van gemeentelijke voorzieningen willen zetten, waarbij niet de financiële norm uitgangspunt is, maar de gewenste kwaliteit van de voorziening. Dat vraagt meer dan voorheen bewuste politieke keuzes die niet bij elke coalitiewisseling weer omgegooid worden. Met andere woorden: dit vraagt om consistent beleid waarbij er over de middelen die ingezet worden duidelijkheid gevraagd wordt voor langere termijn.


Wilt u meer weten/lezen dan verwijs ik u graag naar mijn boek 'Strategisch omgaan met onderwijshuisvesting vanaf 2105’ dat via uitgeverij PICA in Huizen of via Bol.com te bestellen is.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners