Rondetafelgesprek binnenklimaat: "Budget, regels en onwetendheid blokkeren een gezond schoolgebouw"

E-mailadres Afdrukken

Het bouwen van een school is complex en de beschikbare budgetten zijn zo krap dat een goed binnenklimaat er vaak bij inschiet. De wettelijke normen voor binnenklimaat in het Bouwbesluit zijn te laag. Dat besef is er nog niet bij iedereen. Daarnaast zijn de beschikbare investeringsbedragen voor nieuwbouw van scholen te laag om een goed binnenklimaat te kunnen realiseren. Zo bleek tijdens een rondetafelgesprek, gehouden bij M3V in Oosterbeek, onder voorzitterschap van Harry Vedder.

Harry Vedder vindt de houding van de gemeenten wel begrijpelijk. Gemeenten gaan over het investeringsbudget en niet over het exploitatiebudget en dat investeringsbudget is gewoonweg te laag om ook nog eens hoge eisen te gaan stellen aan het binnenklimaat. Daarvoor is ook meer geld nodig. Geld dat overigens uit de exploitatie, onder anderen door minder gezondheidsklachten, terugverdiend kan worden Hij vindt dat de inrichting van het bouwproces en het aanbestedingsbeleid van de overheid ertoe leiden dat kwaliteit ondergeschikt is geworden en er zo weinig mogelijk wordt geïnvesteerd. De in de aanbesteding opgenomen normen ten aanzien van onder anderen het binnenklimaat zijn door de opdrachtgever bedoeld als een ondergrens, maar in de praktijk van de aanbesteding (laagste mogelijke prijs) wordt die norm voor de aanbieders vaak niet meer dan een bovengrens. Waarom zou je meer bieden voor meer geld, terwijl je concurrent dat niet doet en de opdracht krijgt? Cor Geelhoedt wijt dat aan de vertaling van de ambities van de gemeenten en de schoolbesturen in het Programma van Eisen. Heel vaak blijven de ambities van het schoolbestuur beperkt tot een onderwijskundige visie, met het verzoek aan de architect om dit te vertalen in een schoolgebouw. Hij vindt dat schoolbesturen bij de gemeenten al hun energie moeten aanwenden om invloed uit te oefenen op de kwaliteit van hun nieuwe schoolgebouw. Hij weet uit ervaring dat veel gemeenten alleen maar denken in termen van ‘zo goedkoop mogelijk’ en ‘zoveel mogelijk vierkante meters’. Sommige gemeenten zijn heel vooruitstrevend, maar er zijn er ook waar helemaal voorbij wordt gegaan aan het binnenklimaat. Die gemeenten zorgen alleen voor kubieke meters, waar wat tafeltjes in kunnen staan, die voldoen aan het Bouwbesluit. Maar daarmee heb je nog geen gebouw wat geschikt is om goed onderwijs te geven. “Alle onderzoeken en rapporten worden terzijde geschoven en er wordt - overigens volkomen legitiem - verwezen naar het Bouwbesluit”.

Prijs is vaak doorslaggevend

De aandacht voor het binnenklimaat heeft wel bewerkstelligd dat de richtlijnen in het Bouwbesluit serieus genomen worden. Natuurlijke ventilatie is tegenwoordig niet meer voldoende, ook omdat er in de scholen veel meer warmteproducerende computers worden gebruikt. Het aantal eisen en normen waaraan een nieuw schoolgebouw moet voldoen groeit gestaag, echter de bouwbudgetten groeien niet mee. Ron Leenheer heeft dagelijks te maken met wat hij noemt deze ‘verdeling van de schaarste’. Om in het basisonderwijs een gebouw van een goed binnenmilieu te voorzien is 330 euro per leerling nodig. Als er maar 225 euro beschikbaar is, dan is het een hele kunst om toch een goed gebouw met een goed binnenklimaat neer te zetten.

Ron Leenheer noemt het ‘sturen op geld’ een gevolg van het Nederlandse Calvinistisch kleinschalig denken. “Een voorbeeld: in een willekeurig gehucht in Nederland wordt een enorm spektakel gemaakt om een architect te kiezen voor een basisschooltje met zes lokalen. De halve architectenwereld in Nederland doet mee en om dat te krijgen moet ik alles uit de kast halen. Als dat achter de rug is en ik vraag naar de constructeur en een installatieadviseur zeggen ze ‘die en die komen uit de buurt, die ken ik goed, vraag maar wie de goedkoopste is’. Vervolgens krijgt M3V of Brink Groep te horen ‘dat is het budget, zie het er maar in te frutten zodat het aan het Bouwbesluit voldoet.’ Daar wordt dus absoluut niet op kwaliteit geselecteerd. Dat is de praktijk waar ik elke dag mee te maken heb.” Er zijn schoolbesturen die zelf geld steken in extra voorzieningen in een nieuw schoolgebouw of voor extra kwaliteit van het gebouw samenwerking zoeken met bijvoorbeeld een woningbouwvereniging. Toch biedt ook dat volgens Joep Paardekooper niet altijd soelaas. Een woningbouwvereniging wil alleen investeren in schoolprojecten als dit het maatschappelijk belang dient en bijdraagt aan woon- en leefbaarheid van wijken. Mogelijk dat door dit soort financieringsconstructies scholen ruimte krijgen om zelf investeringen te doen in bijvoorbeeld binnenklimaat.

Bouwen is complex

Het bouwen van een school is de afgelopen jaren erg ingewikkeld geworden. Behalve met het Bouwbesluit moet er rekening worden gehouden met de richtlijnen rond Frisse Scholen, en vaak heeft de gemeente het convenant Duurzaam Inkopen van SenterNovem ondertekend. Dat heeft invloed op 60 of 70 aspecten van de bouw. Harry Vedder denkt dat het voor een gemiddelde opdrachtgever niet meer te overzien is en dat deze onvoldoende in staat is vanuit een totaaloverzicht over alle aspecten zijn eisen goed en samenhangend te formuleren. Ron Leenheer is het met hem eens. “Ik zie het bij al mijn opdrachtgevers. Zij krijgen die waslijsten over duurzaamheid, binnenklimaat, publicaties van SenterNovem. Ze overzien het niet. Elke schoolbestuurder zal een andere top 10 samenstellen. Neem nou die Scholenbouwprijs. Als je je gebouw in Nederland als corporate identity wilt neerzetten moet je dat zeker doen en daar geld aan besteden. Maar dat gaat ten koste van iets anders. En als je de nadruk op het klimaat legt en zorgt dat het helemaal perfect is, dan heeft het gebouw het uiterlijk van een voetbalkantine. Iedereen legt zijn prioriteiten anders.”

Extreme eisen

Leenheer vindt dat de kinderen van tegenwoordig een beetje teveel in de watten worden gelegd. De behoefte aan comfort is in een korte tijd enorm gegroeid. “Toen wij naar school gingen terwijl de mussen dood van het dak vielen van de hitte was het binnen ook warm. Dan deden we een raam open of – als het heel erg was – kregen we een middagje vrij. Een schoolbestuur eist voor het kind van vandaag bij -15 tot +35 buitentemperatuur binnen een temperatuur van 19 graden met 67 procent luchtvochtigheid en maar 600 ppm CO2 in de lucht. Anders worden ze ziek. Ik denk dat ze daar best een beetje minder extreem mee mogen omgaan.” Cor Geelhoedt en Eric van de Ven vinden dat de vergelijking met vroeger niet op gaat. “Onze werkplek is ook niet zoals dertig jaar geleden. Wij hebben binnen ons bestuur scholen waar ik zelf op heb gezeten. Ik herinner me niet dat ik veertig jaar geleden een probleem met die gebouwen heb gehad. We deden toen inderdaad een raam open, maar toen was er wel minder lawaai als nu. Er was minder apparatuur in de klas. En de eisen zijn natuurlijk ook strenger geworden.” Harry Vedder geeft aan dat ook de gebouwen van toen niet te vergelijken zijn met die van nu. Kieren en tochten zorgen er voor dat het klimaat in ruime mate geregeld was. Ook het ontbreken van alle isolatie voorkwam de hoge temperaturen die vaak in schoolgebouwen aanwezig zijn omdat de warmte er wel in maar er niet uit kan.

Volgens Joep Paardekooper stellen schoolbesturen vaak uit strategisch oogpunt hoge eisen om onderhandelingsruimte te hebben. “Als je de lat hoog legt kun je altijd nog iets omlaag. Wij helpen ze een financiële prognose te maken aan de hand van een exploitatieberekening. Dan weet een school vooraf met welke exploitatiekosten ze te maken krijgen. Soms kun je dan nog dingen bijstellen, die je misschien uit de exploitatie anders kunt financieren. Maar het blijft natuurlijk een berekening op basis van prognoses. Als de energieprijzen onverwacht gaan stijgen of dalen heeft dat gevolgen.” Cor Geelhoedt vindt het gebruik van exploitatieberekeningen heel waardevol, maar alleen als er een bepaalde basiskwaliteit als uitgangspunt wordt genomen. “Dan kun je beoordelen of je bepaalde wijzigingen wilt accepteren. Maar de basiskwaliteit uit het Bouwbesluit moet kloppen en die is nu veel en veel te laag. Dus dat moeten we optrekken.”

Tegenwerkende regelgeving

Ron Leenheer denkt dat de richtlijnen in het Bouwbesluit niet alleen moeten worden aangescherpt, maar ook op elkaar moeten worden afgestemd. Nu zijn die richtlijnen vaak tegenstrijdig. “Je moet zorgen voor een goed binnenklimaat, maar datzelfde bouwbesluit zegt dat een plafondhoogte van 2.70 meter volstaat. Zodat 30 kindertjes als een goudvis zitten te happen naar lucht. En dan roepen ze tegen de installateurs ‘doe er eens wat aan’. Op één of andere manier zijn we met z’n allen verkeerd bezig. Zet die plafonds op 3 meter. Je hebt dan een betere buffer voor de lucht, je kan beter uit de voeten met het licht, de ramen kunnen hoger. Allemaal voordelen. Maar dat is zo typisch in Nederland, dat wij elkaar gaan zitten tegenwerken vanuit de overheid, vanuit de financiën en tegelijkertijd die druk voelen vanuit de opdrachtgevers, die steeds meer welness willen. En ondertussen is er steeds minder ruimte voor de leerling. Een vmbo-leerling theoretische leerweg krijgt 5,6 vierkante meter bruto vloeroppervlak. Trek daar 10% vanaf voor de wanden. Dan heb je het toch over een legbatterij?”

Harry Vedder vraagt zich af of het een idee is dat architecten en installateurs samen concepten gaan ontwikkelen, Cor Geelhoedt en Ron Leenheer zijn bang dat er dan een soort eenheidsworst zal ontstaan. Eric van de Ven vindt een vorm van samenwerking wel wenselijk, maar ziet het daar in de dagelijkse praktijk niet van komen. “Negen van de tien keer is de architect al geselecteerd en mogen wij aanschuiven. Vaak is het basisontwerp al klaar. Dan word je geconfronteerd met veel te lage budgetten, die gecombineerd gaan met hoge ambities en mag je gaan proberen daar iets van te maken.” Hij heeft gemerkt dat samenwerking van architect en adviseur kan leiden tot een verhoging van het budget. “Wij zijn met een project bezig waar we samen met de architect een oplossing hebben bedacht. Die kost wel wat meer, maar doordat wij samen met de architect naar de gemeente konden gaan is dat extra budget er wel gekomen. De gemeente heeft dat extra budget toegekend op basis van de totale kosten, niet alleen op basis van de stichtingskosten. Maar dat gaat niet op bij elke gemeente. Sommigen hebben een enorme ambitie, maar anderen totaal niet en die proberen er soms zelfs iets aan over te houden.”

Deelnemers aan het rondetafelgesprek binnenklimaat
Harry Vedder (gespreksleider) - Eén van de oprichters van M3V adviespartners. M3V houdt zich bezig met beleidsadvisering van gemeenten en schoolbesturen. De kernwerk-zaamheden bestaan uit de ontwikkeling van huisvestingsconcepten voor basisscholen, brede scholen, vo en hbo. M3V is één van de weinige bureaus die huisvesting ontwikkelt vanuit een onderwijsinhoudelijke insteek.
Cor Geelhoedt - Directeur regio Zuid-West van gebouwgebonden systemen van Imtech Building Systems. Vanwege zijn voorliefde voor onderwijs is hij verantwoordelijk voor onderwijs, een speerpunt bij Imtech. Geelhoedt zit daarnaast negen jaar als voorzitter en penningmeester in de Raad van Toezicht van de Elisabeth Stichting uit Geertruidenberg, een schoolbestuur met zeven scholen.
Joep Paardekooper - Senior projectmanager bij Brink Groep. Hij adviseert opdrachtgevers hoe ze moeten omgaan met hun gebouwen. Volgens Paardekooper hebben veel organisaties hun visie en beleid niet goed ingebed in hun gebouwen.
Ron Leenheer - Werkt sinds 2000 bij architectenbureau SP Architecten, gespecialiseerd in scholenbouw (roc’s, aoc’s, basisscholen). Leenheer zit graag in een vroeg stadium met de opdrachtgever aan tafel om hem te helpen een gebouw te ontwikkelen dat iets teweeg kan brengen binnen de school.
Eric van de Ven - Sinds anderhalf jaar adviseur bij Deerns Raadgevende Ingenieurs. Daarvoor had hij een eigen bedrijf, I kwadraat. Hij houdt zich bij Deerns bezig met allerlei soorten projecten, maar is gespecialiseerd in installaties voor scholen.

Integraal ontwerpen

Een dergelijke vorm van integraal ontwerpen wordt door alle deelnemers aan het rondetafelgesprek gezien als een uitdaging, met de kanttekening dat lang niet iedere gemeente en iedere architect of installateur daarvoor open zal staan. Integraal ontwerpen is bovendien zeer complex, zeker als dat betekent dat de samenwerkende partijen gezamenlijk een contract aanbieden. Harry Vedder: “De complexiteit voor de opdrachtgever ten opzichte van het stellen van zijn eisen wordt dan groter. Traditioneel kan hij eerst eens nadenken over de structuur, vervolgens de techniek, dan de uitvoering en dan het onderhoud. En nu moet hij in een voorfase van zes maanden tot een jaar op al die facetten al zijn prestaties formuleren en budgetten bij elkaar brengen. Mijn ervaring is dat voor hen dat erg moeilijk is en ze daarvoor een veelheid aan deskundigen moeten inschakelen. Ook dat proces is niet altijd even makkelijk voor hen te overzien. Maar het is wel de beste werkwijze.” Eric van de Ven en Cor Geelhoedt: “Hoe wil je anders voorkomen dat één van die dingetjes sluitpost gaat worden? Toegegeven, de opdrachtgever heeft niet de kennis om de individuele gebouwprestaties te definiëren. Daar moet hij bij geholpen worden. Maar we hadden al geconcludeerd dat het budget ontoereikend is voor wat iedereen wil. Dan blijft over dat je naar een manier gaat zoeken om ondanks die beperkte middelen toch met creativiteit om te kunnen gaan.”

Ron Leenheer vindt dat partijen veel eerder om tafel zouden moeten gaan zitten om te overleggen hoe de gebouwen slimmer in elkaar kunnen worden gezet. “Om een auto te maken zit er een hoogbouw vol ingenieurs jaren te studeren, elk onderdeeltje wordt op maat gemaakt. Een gebouw is net een auto, alleen je maakt het maar één keer. Alles is maatwerk. Iedere keer kijken we opnieuw hoe een kozijntje er in moet, waar die pijp vandaan komt en hoe we dat gaan ventileren.” Harry Vedder concludeert dat er behoefte is aan een vorm van standaardisatie. “Kijk naar de autolampen. Die worden door Philips gemaakt en met de inbouwspecificaties aan de auto-industrie geleverd. Maar de hele ontwikkeling en innovatie gebeurt bij Philips. Je zou in de bouw met ‘bewezen hoofdsystemen’ kunnen werken, waarbij de mate waarin die systemen verkocht worden innovatie toelaten bij de leverende partij. Dan hoef je als architect niet al die tekeningen te lezen, maar krijg je ontwerpspecificaties mee. En dan weet je dat dat ding wat er in komt goed is. En het wordt geen eenheidsworst, want de architect maakt telkens een ander ontwerp.” Ron Leenheer heeft daar zijn twijfels bij. Misschien zijn er voor installaties wel standaarden te bedenken, maar voor constructies van gebouwen is dat lastiger, omdat die afhankelijk zijn van trends in de markt.

Conclusie

De problemen rond het binnenklimaat in schoolgebouwen worden alleen opgelost als de richtlijnen in het Bouwbesluit naar boven worden bijgesteld en op elkaar worden afgestemd. Alle andere initiatieven, zoals gestandaardiseerde componenten, samenwerking en integrale bouw en een betere begeleiding van opdrachtgevers dragen zeker bij aan een verhoging van de kwaliteit van schoolgebouwen, maar zijn te vrijblijvend om het hele onderwijs in Nederland te helpen.

Er zijn wel positieve ontwikkelingen gaande. Nieuwe duurzame systemen zoals warmtekoude- opslag bieden andere mogelijkheden voor het binnenklimaat. Bovendien maken deze systemen het mogelijk om de exploitatie voor de komende dertig jaar te kapitaliseren, wat ook weer extra budget oplevert. Maar door onbekendheid met de materie en wantrouwen ten opzichte van de markt laten veel gemeenten en schoolbesturen kansen liggen. Zij moeten zich meer in het Plan van Eisen verdiepen. En er moet een bewustzijn ontstaan waardoor ze een eigen mening, een eigen visie gaan krijgen.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

December uitgave

Partners