Ed Peters, adviseur Huisvesting Investeringsfonds scholenbouw: utopie of werkelijkheid?

E-mailadres Afdrukken

Economisch slechte tijden noodzaken bestuurders en ondernemers tot meer scherpte en creativiteit. Het   kostenbesef neemt toe. In een aantal gemeenten heeft dat geresulteerd in doordecentralisatie van onderwijshuisvestingstaken   naar de schoolbesturen. Nu krijgt doordecentralisatie onverwacht concurrentie van het investeringsfonds scholenbouw. De bedenkers   van dat fonds wekken hoge verwachtingen. Waarop zijn die hoge verwachtingen gebaseerd?

Eigenlijk zou je de doelstelling van het investeringsfonds kunnen samenvatten:doe meer met minder geld. De meerwaarde kan, zo lezen we in de conclusies en aanbevelingen in het rapport van Rebel, oplopen tot 85 mln. euro contante waarde. Deze bewering roept bij mij onmiddellijk de vraag op wat onder de huidige situatie verstaan wordt. Ik heb de indruk dat zeer sterk gefocust is op de bouw van scholen in het primair onderwijs, waarbij uitgegaan is van de meest voorkomende situatie dat de gemeente investeert en de school exploiteert. Doordecentralisatie wordt wel als optie genoemd, maar dan binnen de activiteiten van het investeringsfonds.

Het vergelijken van de effectiviteit van het investeringsfonds met die van doordecentralisatie is achterwege geIaten. Volgens mij een gemiste kans. De kracht van het fonds moet de expertise op het gebied van ontwerpen en bouwen zijn en de snelheid van werken. Daarnaast is de zekerheid van een voldoende budget van minimaal 100 mln. euro de basis van een lange termijnplanning. In de maximale variant is de invloed van gemeente en school zeer sterk gereduceerd. Het investeringsfonds wil immers een schoolgebouw realiseren, dat bij leegstand gemakkelijker verhuurd kan worden. Verder wil men door duurzaam bouwen en professioneel onderhoud zorgen voor meer restwaarde. Op zich uiteraard geen verkeerde uitgangspunten.

Zicht op exploitatiekosten

Wie de geschiedenis van onderwijshuisvesting in Nederland kent weet dat een vergelijkbaar initiatief in de jaren tachtig heeft gespeeld. Het initiatief betrof de zogenaamde bouwstroomscholen. Hier was niemand blij mee. Meer voordeel zie ik in de bundeling van projecten. Dit kan wel leiden tot voordelen bij de aanbesteding. Daar is echter geen investeringsfonds voor nodig. Dat voordeel kan ook in de huidige situatie behaald worden. Ook het onderhoud uitbesteden kan leiden tot kostenbesparing. Tegenover een financieel voordeel staat ook weer de afhankelijkheid van een externe partij. De vraag is derhalve of de scholen dat een aantrekkelijk alternatief vinden.

Kijk je naar de exploitatielasten dan hebben deze voor een belangrijk deel te maken met de kwaliteit van het gebouw en de investering in duurzame maatregelen. Waarom hier via een investeringsfonds een groter voordeel kan worden behaald heeft waarschijnlijk te maken met de vooronderstelling dat in de huidige situatie nog weinig duurzaam wordt gebouwd. Als dit de vooronderstelling is waag ik dat te betwijfelen. Gemeenten en schoolbesturen worden zich steeds bewuster van de noodzaak om duurzaam te bouwen.

Perspectief voor de gemeente en scholen

Voor de gemeenten betekent het in zee gaan met het investeringsfonds dat ze niet alleen de huisvestingsmiddelen uit het gemeentefonds beschikbaar moet stellen, maar ook eventuele herontwikkelingswinst. Wat ze ervoor terugkrijgen moet worden afgewacht. Wie gaat bepalen wanneer en waar wordt geïnvesteerd? Wat gebeurt er als het fonds onvoldoende rendement haalt? Wat betekent het voor de schoolbesturen als ze meedoen? Kan er zoveel voordeel behaald worden op de exploitatielasten dat zo’n stap gerechtvaardigd is? In elk geval wordt in het verhuurtarief een bedrag voor onderhoud opgenomen dat hoger is dan de vergoeding in de materiële lumpsum. Daarnaast zijn de kapitaallasten, die worden doorberekend in de huurprijs enkele procenten hoger omdat het fonds rendement zal moeten behalen. Het meest gunstige perspectief is dat kwalitatief betere gebouwen worden gerealiseerd.

Twijfelachtige aannames

Alle voordelen van het instellen van een investeringsfonds zijn gebaseerd op te bediscussiëren aannames. Het kwantificeren van de voordelen wordt gebaseerd op een vergelijking met niet professionele opdrachtgevers. Optimalisatie van bouw- en exploitatiekosten kan zeker leiden tot besparingen, maar om te stellen dat met dezelfde kosten de kwaliteit van (brede) scholen en kinderdagverblijven flink verhoogd kan worden lijkt me overdreven. Duurzaam bouwen vereist een behoorlijke extra investering. Dat de exploitatiekosten daarmee omlaag kunnen worden gebracht is evident. In elk geval zijn de voordelen van een investeringsfonds ook volledig van toepassing in een systeem van doordecentralisatie, waarbij schoolbesturen economisch eigenaar worden van de schoolgebouwen. De grootste winst van doordecentralisatie vergelijkbaar met het investeringsfonds is, dat de directe verantwoordelijkheid bij de schoolbesturen ligt. Dat noodzaakt meer onderlinge samenwerking, die de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt.

Conclusie

Het is zeker gerechtvaardigd om nieuwe initiatieven te onderzoeken om de onderwijshuisvestingsituatie in het PO en VO te verbeteren. Het rapport van Rebel legt ook zeker de vinger op de zere plek. Professioneel opdrachtgeverschap is zeker geen regel als het om scholenbouw gaat. Het is echter wel noodzakelijk om niet alleen een vergelijking te maken met de meest ongunstige situatie. Of het nu gaat om het investeringsfonds, doordecentralisatie of een nieuw kenniscentrum scholenbouw, als de wil tot samenwerking er is worden de beste resultaten bereikt. Waar ik verder een vraagteken bij plaats is de visie van waaruit zo’n fonds gaat opereren. Het lijkt vooral te gaan om de waarde van het onroerend goed op peil te houden via een verbeterd bouwproces, kwalitatief goed bouwen en multifunctionele gebruiksmogelijkheden. Wat ik mis is de relatie met de zorgplicht van de gemeente. In de situatie waarin de gemeente rechtstreeks met de schoolbesturen te maken heeft kan zij doordecentralisatie combineren met een convenant voor onderwijsprestaties. Denk aan onderwerpen als voortijdig schoolverlaten, de opvang en begeleiding van zorg- en risicoleerlingen en afspraken over de spreiding van het onderwijsaanbod. Zeker voor grotere gemeenten zal doordecentralisatie van onderwijshuisvesting naar besturen tot dezelfde professionaliseringsslag kunnen leiden als het investeringsfonds beoogt. Het verschil is dat er geen rendement hoeft te worden behaald op de investeringen.

www.edpetersadvies.nl

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners