Vrije val onderwijshuisvesting door krimp. Wanneer worden de gevolgen zichtbaar?

E-mailadres Afdrukken

De komende jaren ligt er een enorme opgave op het gebied van onderwijshuisvesting. Het aantal leerlingen neemt in rap tempo af. Bij ongewijzigd beleid zal dit leiden tot een afname van ruim 600.000 m² in het basisonderwijs. De vrije val is inmiddels ingezet. De toenemende leegstand is een bedreiging voor de noodzakelijke vernieuwing. Gemeenten, scholen en Rijksoverheid hebben elkaar meer dan ooit nodig om tot een oplossing te komen.

Het aantal leerlingen in het basisonderwijs neemt landelijk snel af. Op 1 oktober 2013 waren er landelijk 21.000 minder leerlingen in het primair onderwijs dan op 1 oktober 2012 (Zandstra, 2013). Uitgaande van 6,5 m² ruimte per leerling (volgens de VNG norm 5,03 m² per leerling + 200 meter voor algemene ruimte per instelling), betekent dit een vermindering in de ruimtebehoefte van 136.500 m² in één jaar tijd.

De daling van het aantal leerlingen is al gaande vanaf 2008. Daarbij zijn er sinds 2005 ook minder onderwijsinstellingen, omdat verschillende scholen zijn samengevoegd (CBS, 2012).

Flinke dip benodigde huisvesting
Naar verwachting zal het aantal leerlingen  in het basisonderwijs ook de komende jaren nog flink dalen, namelijk tot zo’n 1,43 miljoen leerlingen in 2022 (Jongewaard, 2013). Door deze afname met ruim 160.000 leerlingen zal er bij ongewijzigd beleid zo’n 624.000 m² minder huisvesting nodig zijn. Omgerekend zijn dat zo’n 100 voetbalvelden.  

Bovenstaande figuur geeft het landelijk benodigde aantal m² onderwijshuisvesting voor basisscholen weer tot 2030 bij ongewijzigd beleid. De figuur is gebaseerd op leerlingenprognoses van de Rijksoverheid (2013) en de eerder genoemde normgetallen. Momenteel is het aantal m² aan onderwijsruimte dat beschikbaar is voor het basisonderwijs zo’n 10.100.000 m². En dat is al flink meer dan strikt noodzakelijk.

Aanpakken of betalen
Zo omstreeks 2022 zal het aantal leerlingen weer toenemen, verwacht men op basis van geboorte-getallen (Coen van Duin, 2014). Maar ondertussen moet er wel iets gebeuren. Leeg laten is eigenlijk geen optie, want de gebouwen staan vaak midden in een wijk en verloedering ligt op de loer. Daarnaast kost leegstand of extra ruimte ook geld. Een leeg gebouw (ook al is het om niet in bruikleen gegeven) kost al snel zo’n € 30,- per m² per jaar aan verzekeringen, beheer en energie. En als het gebouw wordt gebruikt nog meer. Bij 624.000 m² leegstand of overmaat heb je het dan al over een bedrag van €18.720.000,- landelijk op jaarbasis; een kleine €20 miljoen per jaar voor teveel aan onderwijshuisvesting.

Niet overal gelijk
De afname van het aantal leerlingen treedt vrijwel overal in Nederland op, met uitzondering van Flevoland, zo is de verwachting (Rijksoverheid, 2014). De gevolgen zullen echter het grootst zijn in krimpregio’s. Neem bijvoorbeeld de Drentse krimpgemeente Borger Odoorn. Deze heeft de afgelopen drie jaar acht scholen aan het onderwijs onttrokken en vier scholen ondergebracht in multifunctionele accommodaties. Van de acht onttrokken scholen zijn er twee verkocht, twee gesloopt en vier staan te koop. Er is afgeboekt voor een geschat boekwaardeverlies van ca. € 2 miljoen. Wethouder Jacob Bruintjes verwacht dat binnen afzienbare tijd nog twee scholen gesloten gaan worden en op iets langere termijn wellicht nog twee.

Verschillen per regio
Om een beeld te geven van de verschillen per regio is in de hieronder staande twee figuren op basis van de leerlingenprognoses en normgetallen de ruimtebehoefte voor het basisonderwijs weergegeven in de provincie Groningen en Zeeland.

Hierin is de landelijke trend goed zichtbaar. De benodigde kernvooraad is in beide provincies kleiner dan de huidige voorraad, maar in Groningen kan men rekening houden met grotere schommelingen in de ruimtebehoefte.

Verouderde voorraad
Naast de kwantitatieve opgave ligt er ook een kwalitatieve opgave. De bouwtechnische kwaliteit van de onderwijshuisvesting is over het algemeen goed (Bos, 2011, Bouwstenen/bbn 2012). Maar er wordt door het werkveld al jaren gepleit voor een betere kwaliteit van de huisvesting, met name wat betreft het energiegebruik en het binnenmilieu.

Daarbij verandert de vraag en is er meer behoefte aan gebouwen die flexibel en afwisselend kunnen worden gebruikt door het onderwijs, de opvang en eventueel andere functies. Ook dat vraagt om een aanpassing van de gebouwen en een investering in de huidige voorraad. Een investering die niet langer uit de bekostiging van de bestaande voorraad kan worden gefinancierd, zeker niet als er ook sprake is van (frictie)leegstand.

(Ver)bouw ligt stil
Afgelopen jaren worden er steeds minder bouw-vergunningen voor scholen afgegeven. Een groot aantal scholen is binnenkort aan vervanging of renovatie toe, zo blijkt ook uit een brief van Donner aan de Tweede Kamer. Maar gezien de hoogte van de vergoeding voor onderwijshuisvesting vanuit het Rijk, de verandering in de bekostiging (uitname uit het gemeentefonds, overheveling buitenonderhoud) en onduidelijkheden over de gevolgen daarvan is het de vraag of het daarvan komt. Gemeenten, scholen en rijksoverheid hebben elkaar meer dan ooit nodig om tot een oplossing te komen in de herstructurering van de bestaande voorraad.

Artikel op basis van onderzoek van Pim Molmans, stagiair bij Bouwstenen voor Sociaal

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners