Martijn Nolen, Van Doorne: “De bal ligt bij schoolbesturen en kinderopvang om de opvang van krimp goed te regelen”

E-mailadres Afdrukken

De dalende leerlingenaantallen hebben consequenties voor het basisonderwijs. Leerkrachten krijgen ontslag, klassen worden groter, scholen zijn niet meer te bekostigen en worden uiteindelijk gesloten. Zo'n lijdensweg duurt veel te lang. Sluiting had wellicht zelfs voorkomen kunnen worden als schoolbesturen en kinderopvang op regionaal niveau hadden samengewerkt. Dat vindt Martijn Nolen, lid van het team Onderwijs van Van Doorne. “Schoolbestuurders en kinderopvang zijn leidend bij het regelen van de opvang van krimp. De wet Innovatie Experimenteerruimte die recent is ingegaan biedt nog eens extra mogelijkheden om afspraken voor de lange termijn te maken. Dit maakt dat genoeg wettelijke ruimte is om zowel leerlingstromen als toelatingsbeleid op elkaar af te stemmen. Er liggen dus genoeg kansen voor schoolbestuurders, maar dan moet je die handschoen samen wel oppakken.”

Als er sprake is van krimp doen veel schoolbestuurders in eerste instantie alsof hun neus bloedt en ligt de focus op de eigen positie. Diep in hun hart weet men soms wel dat de exploitatie van een school op de middellange of lange termijn niet is te handhaven, maar met extra middelen voor het instandhouden van een kleine school is het vaak nog een tijd vol te houden en kan die pijnlijke beslissing worden vooruitgeschoven. Maar de levensvatbaarheid (een duurzame exploitatie, een duurzame instandhouding, kwalitatief goed personeel, kwalitatief goed onderwijs) is niet langer reëel. Een kleine tegenvaller kan al grote problemen veroorzaken. “Als je een schooltje hebt waar drie leerkrachten rondlopen waarvan er één ziek wordt, dan heb je de poppen aan het dansen als het gaat om de kwaliteit. Uit recent onderzoek van de Onderwijsinspectie naar de relatie tussen de kwaliteit van het bestuurlijk handelen en de kwaliteit van het onderwijs, blijkt hoe belangrijk vroegtijdige signalering en bijsturing is."

Alternatieven voor sluiting

Krampachtig proberen een school open te houden totdat sluiting onvermijdelijk is, is niet het enige scenario. Een schoolbestuur met scholen die op termijn niet levensvatbaar zijn heeft naast sluiting of opheffing drie opties. Ten eerste kan de school worden verplaatst naar een locatie met een betere toekomst ten aanzien van leerlingaantallen. Een andere mogelijkheid is samen te gaan met een andere school die onder hetzelfde bestuur valt. Bekostigingstechnisch is het verstandig om het dan een samenvoeging te noemen en niet een sluiting van een locatie. De derde optie is dat er afspraken worden gemaakt met andere schoolbesturen. Met name in kleinere dorpen zal dit reële kansen bieden. Dat kunnen afspraken zijn in de trant van 'ik laat de school leeglopen en jij neemt de leerlingen over in dit dorp, en in een ander dorp doen we hetzelfde maar dan andersom'. Ook kan worden besloten om scholen van verschillende besturen samen te voegen. Welke scholen in dat geval open blijven moet worden afgesproken tussen de schoolbesturen. Daarvoor kunnen allerlei argumenten zijn: de kwaliteit van de schoolgebouwen, prijs en kwaliteit van het personeel, de verkeerssituatie, de onderwijskwaliteit, etc..

Regionale clusters

Een ontwikkeling die op dit moment in steeds meer gebieden zichtbaar wordt en een optie lijkt, is dat schoolbesturen bij elkaar gaan zitten, regionaal alle scholen in een mand doen (los van denominatie of tot welk bestuur ze horen) en samen kijken op grond van verwachte leerlingengroei op welke locaties in de regio er schoolaanbod moet zijn. Het samen maken van zo'n regionale voorzieningenplanning is een ontwikkeling die in het vmbo en vo al plaatsvindt, en het po zal ongetwijfeld volgen. “Zonder gezamenlijke duurzame afspraken voor de langere termijn komt de exploitatie onder druk. Hoe je die afspraken maakt en hoe je ze vastlegt is deels een bestuurlijkstrategisch spel, en deels afhankelijk van de juridische en financiële mogelijkheden. Daarbij maakt het uit of je openbaar bent of bijzonder, of je katholiek bent of niet. Het is ook relevant welke juridische titel er aan die afspraken wordt gehangen. De term ontvlechting is niet langer taboe en biedt de kans het gezamenlijke aanbod voorop te stellen en niet de eigen bestuurlijke organisatie.”

Streven naar integrale kindcentra

In het po moet ook worden nagedacht over situaties om de exploitatie langer levensvatbaar te houden door samen te werken met kinderopvang. Dat is een logische combinatie, want scholen worden toch al wettelijk verplicht om samen te werken met kinderopvang. Daarbij is er een gedeeld belang, want ook kinderopvang is afhankelijk van een blijvend aanbod van kinderen. Qua efficiency biedt samenwerking reële kansen: door te werken met combinatiefuncties kan personeel worden uitgespaard en wordt het personeelsbeleid aantrekkelijker gemaakt. “Opvang van krimp is wat mij betreft puur een spel van belangen. Alleen als je bereid bent elkaar dingen te gunnen kun je het gezamenlijk oppakken. Hoe het wordt ingevuld is per regio afhankelijk van de kwaliteit en visie van de bestuurders en toezichthouders.”

Martijn Nolen is enthousiast over Stichting Ruimte-OK, vanwege de verbinding die er wordt gelegd tussen onderwijs en kinderopvang. Naast de concrete activiteiten als kennisbundeling voor huisvesting, ziet hij voor Ruimte-OK ook een rol weggelegd als adviesorganisatie naar de overheid, om de knelpunten te signaleren en inventariseren, die er rijzen bij samenwerkingsprocessen tussen onderwijs en kinderopvang. Ruimte-OK kan in die zin niet meer doen dan signaleren, inventariseren en adviseren. Schoolbesturen en kinderopvangorganisaties zijn er in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor om in hun regio om tafel te gaan zitten en met beleidsvoorstellen voor het onderwijs in die regio te komen.

Heft in handen

Veel schoolbestuurders denken dat zij weinig of geen invloed kunnen uitoefenen op het gemeentelijk beleid. Dat is een vergissing. Gemeenten zijn alleen verantwoordelijk voor huisvesting, maar niet voor de exploitatie van het onderwijs. “Gemeenten sturen op huisvesting en gebruiken die huisvesting om invloed te hebben op het beleid. Bij nieuwbouwvragen kijken ze naar de leerlingenaantallen binnen de gemeentegrenzen en zijn ze bereid op basis daarvan te investeren in één gebouw. Als het gaat over huisvesting heeft de gemeente dus de touwtjes in handen. Als je als schoolbestuur meer invloed wilt op het aanbod en ook de kosten van exploitatie mee wenst te nemen, moet je zelf initiatieven nemen.”

Als ze hun krachten bundelen verkeren schoolbesturen in een uitstekende positie om een gemeente aan te sturen. Samen maken ze een langetermijnvisie op onderwijs in hun regio, gebaseerd op onderwijskundige vakkennis. Met een dergelijk uitgewerkt voorstel kunnen ze naar de gemeente gaan en zeggen 'op basis van onze regionale langetermijnvisie denken wij dat er op die locaties eigenlijk nieuwbouw moet komen. Beste gemeente, daarmee kun je ons helpen'. “Doordat je als besturen een front vormt kun je gemeenten aanspreken op hun zorgplicht. Want je hebt het over noodzakelijke voorzieningen, waarin een gemeente min of meer verplicht moet investeren. Door die krachtenbundeling van schoolbesturen heb je het heft in handen en word je niet tegen elkaar uitgespeeld.”

Doordecentralisatie als stimulans

In het voortgezet onderwijs is een groot aantal schoolbesturen doorgedecentraliseerd, soms heel succesvol. Dat heeft geleid tot overlegsituaties die tot een goede regionale voorzieningenplanning komen. Concreet gaat het om regionaal/gemeentelijk toelatingsbeleid, aanmeldings- en inschrijvingsbeleid, spreidingsafspraken, afspraken over de omvang van scholen. Dat er nu wetgeving in de maak is om doordecentralisatie van huisvestingsgelden ook voor het po mogelijk te maken is een positieve ontwikkeling. “In het voortgezet onderwijs lukt het steeds vaker samen op te trekken. Doordecentralisatie kan daarbij helpen als vliegwiel om schoolbesturen te stimuleren meer eigen verantwoordelijkheid te nemen, hen te dwingen op de middellange termijn te letten, met een beter spreidingsbeleid te komen en met een voorzieningenplanning te komen die aansluit op de exploitatie. Maar doordecentralisatie is geen voorwaarde. Het is een hulpmiddel dat een proces of discussie kan versnellen. De eigenlijke cultuuromslag is dat je samen regionaal afspraken gaat maken.”

Voldoende juridische mogelijkheden

In het nieuwe regeerakkoord staat dat in krimpgebieden belemmeringen voor samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang waar mogelijk zullen worden weggenomen. Martijn Nolen vindt dat een goede ontwikkeling, maar is tegelijkertijd van mening dat een groot deel van die belemmeringen niet zit in wet- en regelgeving, maar in bestuurlijke strategie. “Ben je bereid om bruggen te slaan? Ben je bereid om anderen een handreiking te doen? Of vecht je elkaar de tent uit? Als je bereid bent om bruggen te slaan zijn er voldoende juridische mogelijkheden - ook binnen de huidige wet- en regelgeving - om gefundeerde, weloverwogen, integere afwegingen te maken.”

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Martijn Nolen via: T: 020 - 6789 396 E: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Martijn Nolen heeft Nederlands recht gestudeerd aan de Vrije Universiteit en is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Van Doorne. Hij is voornamelijk actief in de publieke adviespraktijk (gezondheidszorg, onderwijs, goede doelen en overheid), waarbij hij zich zowel bezig houdt met civiele en notariële vraagstukken, als met de veelvuldig in de publieke sector voorkomende bijzondere wetgeving. Martijn Nolen is tevens verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit en doet onderzoek naar de positie van de bestuurder in het onderwijs.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Advertentie

Juni uitgave

Partners