Vele extra miljoenen aan publieke middelen verdampen als we niets doen aan krimp

E-mailadres Afdrukken

Steeds meer gemeenten komen in aanraking met de effecten van krimp. Krimp speelt niet overal in dezelfde mate en doet zich ook niet gelijktijdig voor. Naast een verandering in omvang verandert ook de samenstelling van de bevolking. Momenteel wordt zichtbaar dat het aantal jongeren daalt, ook in gemeenten waar de bevolking in zijn totaliteit groeit. Krimp heeft al gevolgen voor onderwijshuisvesting, daarbij ligt er een exploitatietekort op de loer. Reageren op de krimpproblematiek met een integrale, breed gedragen aanpak vraagt allereerst om inzicht in de omvang van het probleem. In dit artikel beschrijven wij de gevolgen van krimp voor onderwijshuisvesting en geven een overzicht van de factoren die hierbij een rol spelen1).

Gevolgen voor onderwijshuisvesting

De afname van het aantal jongeren leidt tot een verminderde ruimtebehoefte, daarmee heeft de afname ook financiële consequenties voor de lasten en baten tijdens de exploitatie van onderwijshuisvesting. Om meer inzicht te krijgen in de effecten hiervan voor onderwijshuisvesting heeft Van Aarle De Laat de VADL Verrekijker ontwikkeld. Dit instrument vertaalt de gevolgen van krimp voor onderwijshuisvesting voor een langere periode (20 jaar). De VADL Verrekijker berekent naast de ruimtelijke effecten ook het te verwachten investeringsvolume en de te verwachten gebouwexploitatiekosten. Het model berekent daarbij de kosten van het zogenaamde ‘nietsdoen’-scenario. Het ‘nietsdoen’-scenario beschrijft het natuurlijk gebouwverloop, slopen en herbouwen aan de hand van geldende prognoses, zonder extra ingreep.

De afgelopen periode is de VADL Verrekijker bij de diverse gemeenten door heel Nederland, buiten de bekende krimpgebieden, ingezet. Hierbij hebben we gezien dat in gemeenten met serieuze krimp circa eenderde van alle onderwijslocaties ‘overbodig’ worden. Het ‘nietsdoen’-scenario lost circa de helft van de overcapaciteit op die ontstaat ten gevolge van krimp. Voor de realisatie van het ‘nietsdoen’-scenario is een investering van vele tiental miljoenen nodig. Instandhouding van de overcapaciteit leidt daarnaast nog tot het jaarlijks teveel betalen van enkele tonnen aan exploitatiekosten.

Belangrijke factoren voor onderwijshuisvesting

Naast de bevolkingsafname zijn er andere factoren die invloed hebben op de grootte van de onderwijshuisvesting2). De belangrijkste zijn leeftijd en samenstelling van onderwijshuisvesting en overcapaciteit in de bestaande huisvestingssituatie.

Doordat onderwijshuisvesting vaak een levenscyclus heeft van circa 40 jaar is onderwijshuisvesting niet erg adaptief. Dit maakt dat de leeftijd en samenstelling van de onderwijshuisvestingportefeuille een belangrijke factor is. Een relatief jonge onderwijshuisvesting, veelal gericht op groei, kan leiden tot het teveel betalen aan exploitatiekosten van 20 tot 30 procent. Aan een onderwijshuisvesting die bestaat uit oude gebouwen wordt 6 tot 13 procent teveel exploitatiekosten betaald.

Overcapaciteit van bestaande onderwijshuisvesting is van invloed op de exploitatiekosten. 5 procent overcapaciteit leidt tot circa 12 procent extra exploitatiekosten. 20 procent overcapaciteit leidt tot circa 23 procent extra exploitatiekosten. Daarnaast heeft overcapaciteit van bestaande onderwijshuisvesting invloed op het ‘nietsdoen’-scenario. De resultaten van de VADL Verrekijker laten zien dat gemeenten met beperkte overcapaciteit van bestaande onderwijshuisvesting in vergelijking minder extra exploitatiekosten betalen. Maar dat de exploitatiekosten desondanks toch zullen oplopen doordat onderwijshuisvesting niet adaptief genoeg is.

Andere invloeden op krimp

Naast huisvestingtechnische facetten spelen ook andere invloeden een rol voor de onderwijshuisvesting. Een daarvan is de lokale problematiek en casuïstiek in de regio. Ook lokale trends en ontwikkelingen spelen een rol. Daarnaast bepalen de kwaliteit van de onderwijshuisvesting of locaties eerder of later in aanmerking komen voor herinvestering. De exploitatieperiode bepaalt hoe snel de onderwijshuisvesting kan inspelen op de bevolkingsafname. De diverse factoren maken dat maatwerk noodzakelijk is bij het zoeken naar een oplossing.

Conclusie

Onafhankelijk van de mate kan gesteld worden dat krimp financiële consequenties heeft. Dit betekent dat zolang er niet geacteerd wordt, er maatschappelijk middelen worden ingezet om te investeren in een ongewenste ruimtelijke situatie voor de toekomst. Het ´nietsdoen´-scenario kost meer geld en lost minder op dan nu acteren op de toekomstige veranderingen van het leerlingenaantal. Dit begint met het in kaart brengen van de ontwikkelingen en deze te koppelen aan de tijd, want ook bij een beperkte mate van krimp zijn er ruimtelijke en financiële consequenties.

De opgave ligt in het tijdig (h)erkennen en accepteren van de krimp en hierop te acteren. De Verrekijker draagt bij aan deze erkenning en acceptatie. Als er draagvlak is, is het mogelijk om als gemeente of schoolbestuur gericht te reageren op de krimpproblematiek. Voor meer informatie over het inzichtelijk maken van uw krimpproblematiek en de (integrale)aanpak aangaande krimp neem dan contact op met Mendy Alewijn ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. ) of Aart Schaap ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. ).

___________________

1) Hierbij is uitgegaan van de nieuwe bekostigingssystematiek.

2) De uitkomsten van deze analyse zijn een indicatie en laten de invloed zien op de exploitatiekosten ten opzichte van de geprognosticeerde ruimtebehoefte. Om tot exacte getallen te komen geldt dat er naast de benoemde factoren diverse andere factoren en invloeden een rol spelen, deze zijn niet meegenomen. Daarnaast is de steekproef niet van voldoende omvang om te komen tot dergelijke getallen.


Bekijk voor meer informatie de bedrijfspresentatie van Van Aarle de Laat

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners